2011.04.23 Pasen

 

Poëtische evocatie werd gehouden door Hilde Verbeuren.

 


 

Rond de ontmoeting van Maria en Jezus.

En toen werd het ochtend. Ook voor ons. Het voorzichtige begin van vogelklanken, van frisse bloemen, en in het bedauwde gras, lichte vrouwenvoeten vol schroom, ergens in een boomgaard, een tuin buiten de stad.

Vrouwen hadden het lege graf al gezien. Het linnen kleed. En de steen. En dan de stilte. Als in den beginne. Zoals Adam liep in de nog ongenoemde morgen. En zoals Bertus Aafjes zegt in zijn gedicht “In den beginne”:” Het onuitsprekelijke maakt ons eenzaam omdat wij het bij de naam niet noemen kunnen. Het naamloze maakt ons naamloos droef. “

Maar Jezus van Nazareth zei alleen maar: “Maria”. En toen begon het hart van Maria Magdalena te zingen. Doodsangst en verscheurdheid verdwenen. De mogelijkheid van een nieuw begin. Ondanks alles. En de boodschap dat alles gered wordt, gered is, tot en met de laatste kiezelsteen. Bij Jezus valt niemand uit de boot. Zijn bevestiging geeft warmte, zelfzekerheid, en vreugde en vrijheid.

Een klassiek zen verhaal vertelt ons over een vlinder. De vlinder is gevangen geraakt in een bronzen klok en vliegt zich eindeloos te pletter tegen de bronzen wand in zijn poging eruit te komen . Maar ten slotte is hij zo uitgeput, dat hij zich uiteindelijk laat vallen… de oneindige vrijheid tegemoet. De angst van de vlinder verhinderde te zien waar zijn verlossing zou kunnen zijn.

Misschien versluierde angst en verdriet ook de blik van Maria Magdalena. Tja,trouwens hoe ziet een mens eruit die door de dood is gegaan? We hebben er moeite mee met die verrijzenis. Voor Maria was het heel even de tuinman. Tot zij bij name wordt genoemd. Deze verwondering verlost Maria.

De Argentijnse dichter Juarroz zegt het zo in enkele versregels :

Dan daagt nieuwe onschuld,

wezenlijker dan de eerste.

Alleen in haar ontkiemt blijvende verwondering:

erkenning door de maskers heen, verlossing door verwondering. Hij zegt verder: “Laat je ogen kijken. Sta je ogen niet in de weg. Om anders te kijken moet je je ogen leeg maken. “

Maria weet dat zij gered is, en geroepen om op een unieke manier zichzelf te zijn.

Een chassidische rabbi zei eens: “ Als ik aan de hemelpoort zal aankomen, zal de Eeuwige mij niet vragen waarom ik niet Abraham ben geweest of Mozes, maar hij zal mij vragen waarom ik niet meer mijzelf ben geweest.”

Ondanks de lange bange nacht wordt het ochtend. En midden de eerste vogelklanken zijn er de blik en de stem van de tuinman. De steen wordt weggerold van ons hart. Wij zijn van vlees en bloed. Wij vallen onze vrijheid tegemoet. Wij hebben een naam voor altijd.

Noem mij, bevestig mijn bestaan,

Laat mijn naam zijn als een keten.

Noem mij , noem mij, spreek mij aan,

O, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min