2011.01.29 Over Hagar, Sarah en de anderen

Toelichting bij het verhaal van Tamar (Genesis 38) gehouden door P.Kevers

Een vreemd bijbelverhaal toch, dat we vandaag gehoord hebben. En voor sommigen onder ons waarschijnlijk een onbekend verhaal. Om het goed te begrijpen, moeten we het situeren in de cultuur van toen. En we moeten ook ‘achter de woorden’ en ‘tussen de regels’ lezen...

“Juda daalde af van zijn broers” staat er letterlijk. En hij trouwde met een Kanaänitische vrouw. Is dat ‘afdalen’ ook een ‘afdwalen’? Juda verlaat de clan. Hij verwijdert zich van zijn broers en begint op zichzelf. Als dat maar goed afloopt... In het begin gaat het goed. Ze krijgen drie zonen. De oudste trouwt met Tamar. ‘Dadelpalm’ betekent die naam. Een mooie, edele naam voor een mooie edele gestalte... Maar dat zal pas op het einde van het verhaal blijken. Eerst komt er veel ellende.

Tamar wordt weduwe, want haar man sterft. “Er was slecht in de ogen van de Eeuwige en daarom liet de Eeuwige hem sterven” staat er. De vroegtijdige dood van die jongeman wordt gezien als een straf van God. Wat hij verkeerd heeft gedaan, dat vernemen we niet. Maar wat er ook van zij, Tamar heeft een probleem. Ze is weduwe én ze heeft geen kinderen, en dat was dubbel erg. Zeker in de cultuur van toen, want zo’n vrouw had geen middelen van bestaan én geen toekomst meer.

Tegen die achtergrond moeten wij in Israël de regel van het zwagerhuwelijk zien. De broer van de overledene moet met de weduwe trouwen. En het kind dat geboren wordt, zal de erfgenaam zijn van de overledene, “opdat zijn naam niet worde uitgewist uit Israël”. Dat vinden wij waarschijnlijk maar raar. Maar de idee die erachter zit, is een vroege vorm van sociale zekerheid. Het is een sociaal vangnet voor de kinderloze weduwe. En er wordt recht gedaan aan de te vroeg overledene: zijn naam zal niet uitsterven.

Maar Onan heeft er geen zin in. Hij vertikt het. Dat zie je van hier, een deel van de erfenis verspelen door een kind te verwekken voor zijn overleden broer. In plaats van ‘hoeder van zijn broeder’ te zijn, kiest hij voor zichzelf. Hij weigert zijn schoonzuster recht te doen. Korte tijd later sterft Onan ook. Een ongeval waarschijnlijk. Of ziekte. Maar de verteller denkt er anders over. “Wat hij deed was slecht in de ogen van de Eeuwige en daarom liet de Eeuwige ook hem sterven”. Wie een ander geen toekomst gunt, is zelf geen toekomst waard.

Drie zonen had Juda, nu is er nog maar eentje over. Juda was bang die ook nog te verliezen. Gelukkig was Sela nog te jong om te trouwen. Maar eigenlijk wil Juda definitief van die lastpost Tamar af. “Ga maar terug naar je familie en heb geduld tot Sela volwassen is.” Maar Juda heeft zich heilig voorgenomen Sela weg te houden uit de armen van Tamar, en daarmee uit de armen van de dood. Tamar zal lang kunnen wachten. Ze hoort niets meer, ook niet als Sela volwassen is geworden. Schikt zij zich in haar lot?

We hebben gehoord welke list ze heeft bedacht en hoe zij Juda in de val lokte. Juda ging feest vieren bij het scheren van zijn schapen. Aan de kant van de weg ziet hij een gesluierde vrouw zitten. Haar houding en haar kleding laten aan duidelijkheid niets te wensen over: zij is een hoer. Je hebt van die ‘afgedaalde vrouwen’, nietwaar. “Voor een geitenbokje”, zegt Juda, die geen geitenbokje bij zich heeft. De vrouw vraagt een onderpand. Hij geeft zijn zegelring, zijn snoer en zijn staf: de tekens van zijn waardigheid. Ook de vrouw ontdoet zich van haar kleren. Alleen haar sluier hield zij aan. Vond Juda niet storend. Het ging hem immers niet om een ontmoeting van aangezicht tot aangezicht... Thuisgekomen vraagt Juda aan een vriend het geitenbokje naar de vrouw te brengen, in ruil voor het onderpand. Maar de vriend kan haar nergens vinden. “Waar is die tempelprostituee?” vraagt hij. Tempelprostituee! Een deftig woord om het niet zo deftige optreden van Juda te verbloemen... Maar in de buurt weten ze van niets. “Dat soort vrouwen hebben wij hier niet, meneer! Gelukkig maar, mag ik wel zeggen.”

Drie maanden later komt men aan Juda vertellen dat Tamar zwanger is. “Wat, mijn schoondochter zwanger?” zegt Juda. “En ze is niet getrouwd. Een schande! Ze is een hoer! Ze moet verbrand worden!”. Dat klinkt jammer genoeg heel bekend en actueel in dit oeroude verhaal. Het slachtoffer krijgt de schuld. En het is een klassiek voorbeeld van de verschillende maatstaf waarmee mannen en vrouwen gemeten worden.

Op weg naar de brandstapel laat Tamar een zegelring, een snoer en een staf zien. “Van de heer aan wie deze zaken toebehoren, ben ik zwanger!” Juda valt door de mand, met zijn dubbele moraal. En hij komt tot inkeer. “Zij is een rechtvaardige, meer dan ik dat ben. Zij is een tsaddiek”. Het siert Juda dat hij dat ruiterlijk erkent. Tamar staat in haar recht. Onwetend heeft hij zelf aan deze vrouw de daad verricht die zijn zonen aan haar verschuldigd waren.

In onze ogen heeft dit verhaal van bedrog en ontucht misschien niet veel met rechtvaardigheid te maken. Maar in het perspectief van de Bijbel heeft Tamar gerechtigheid gedaan. Zij kwam op voor haar eigen rechten en zij wilde recht doen aan haar overleden echtgenoot. Haar gedrag was gericht op solidariteit en trouw, en precies dat wordt met het bijbelse woord ‘gerechtigheid’ bedoeld. Gerechtigheid is in de Bijbel niet op de eerste plaats: leven volgens wetten en regels, maar wel: gedrag dat de gemeenschap ten goede komt en dus heil, heel-heid tot gevolg heeft. Zó leven dat de ander er beter van wordt, ook al moet je daar verrassende, ongewone dingen voor doen. Het verhaal van Tamar is daarvan een sprekende illustratie.

In dit verhaal raken mannen het spoor bijster en zijn hun roeping ontrouw. In die mannenwereld komt een vrouw op voor gerechtigheid. Tamar, ‘Dadelpalm’. “De rechtvaardige zal bloeien als een palmboom”, zingt de psalmist (Ps 92,13). Tamar, de kinderloze weduwe, wordt een moeder in Israël. Moeder van Peres en Zerach. Betbetovergrootmoeder van David. Stammoeder van de Messias. Die op zijn beurt verrassende, ongewone dingen deed om gerechtigheid tot stand te brengen. Die vrouwen als gelijkwaardige gesprekspartners beschouwde. Die melaatsen omarmde en zieken genas op sabbat. Die aan tafel ging met tollenaars en zondaars. Toen Matteüs zich aan zijn schrijftafel zette om het verhaal van Messias Jezus te vertellen, begon hij met een stamboom. Daarin worden van vader op zoon de namen opgesomd, vanaf Abraham, over David, tot Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren werd. Allemaal namen van mannen, maar ook enkele vrouwen, onder wie Tamar. Zij mocht zeker niet ontbreken. Jezus, zoon van Abraham, zoon van David, zoon van Tamar. Wees gegroet, Tamar, gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.

Paul Kevers

Bronnen:

– Nico ter Linden, Het land onder de regenboog, Amsterdam: Balans, 2006, pp. 129-132.

– Nico ter Linden, Het verhaal gaat, deel I, Amsterdam: Balans, 1996, pp. 157-161.

– Paul Kevers, Op weg naar het beloofde land, Leuven: VBS/Acco, 1994, pp. 37-42.


 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Juli 2018
M D W D V Z Z
25 26 27 28 29 30 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 31 1 2 3 4 5

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen