2011.01.22 Over Hagar, Sarah en de anderen

Toelichting werd gehouden door Rita Weynants

HAGAR

Die oude verhalen van het begin waarin Hagar, Sara en Abraham een rol spelen maken ons onrustig. In compacte zinnen met veel herhalingen wordt onze aandacht tegelijk vastgehouden en alle richtingen uitgestuurd. Met wie moeten we meeleven?


- met Sara, oud, onvruchtbaar, uitgelachen, maar wel een meesteres die stevig haar macht gebruikt én de moeder van Isaak?

- met Hagar, de vreemdelinge, de slavin, vernederd, twee keer in de woestijn beland: eerst weggelopen en teruggekeerd, nu weggestuurd, maar wel moeder van Ismaël, de vrouw die in de bijbel als eerste aan God een naam geeft?

- met Abraham, de oude patriarch, die in zijn vaderschap geprangd zit tussen twee vrouwen en twee zonen, tussen twee 'eerstgeborenen'...?

Het blijkt geen eenvoudig zwart/wit verhaal te zijn met heldere lijnen en een éénduidige uitkomst. Het verhaal vraagt aan ons, lezer of toehoorder, - om ontvankelijk en soepel - telkens van standpunt en blikrichting te veranderen en om zo meegevoerd te worden in het zien van de Eeuwige.

Zo ook in het voorgelezen fragment.

Eerst kijken we door de ogen van Sara. Zij ziet haar zoon Isaak voorspoedig opgroeien. Dan ziet ze dat de zoon - die Hagar, de Egyptische, aan Abraham gebaard had - ‘lachte’. Er staat niet ‘lacht met Isaak’ of ‘spot met Isaak’; de naam Isaak komt zelfs niet voor. In vers 9 staat alleen: Sara ziet dat de zoon van Hagar lacht. Hij doet datgene wat volgens haar voorbehouden is aan háár zoon. Isaak betekent immers 'hij die lacht'. Zij wil dat Abraham de zoon van de dienares wegjaagt opdat hij niet erft ‘met mijn zoon, met Isaak’.

Sara wenst het kind van Hagar het erfrecht te ontnemen, wat volgens de regels van die tijd onmogelijk is: Ismaël geldt als de zoon van Abraham en zal erven. Ze wijkt hier af van de sociale conventies zoals Hagar dat eerder deed. In Gen.16 wenst Hagar om zélf voor de moeder van Ismaël door te gaan, terwijl dat onmogelijk is: haar kind geldt als een kind van Sara.

Telkens wanneer de vrouwen afwijken van wat sociaal aanvaardbaar is, reageert Abraham verschrikt. Hij is zich niet bewust van problemen, want het gaat voor hem in beide gevallen om zijn zoon. Wie de moeder is, is volgens hem en volgens de patriarchale regels van zijn tijd van secundair belang.

Maar JHWH ziet dat anders. Hij kiest voor het perspectief van de vrouwen. Hier geeft Hij Abraham de opdracht gehoor te geven aan de stem van Sara en haar wil op te volgen en hij noemt Ismaël - zoals Sara - niet bij zijn naam, maar spreekt over hem als ‘de jongen’, en ‘de zoon van de dienares’. Hij kiest voor de positie van Sara, voor hààr belang als moeder. Abraham zendt Hagar en zijn zoon Ismaël weg. Onwillekeurig denken we vooruitlopend aan 'het offer van Isaak': Abraham offert ook deze zoon. Hij stuurt hem de woestijn in omdat JHWH het vraagt.

Dan kijken we door de ogen van Hagar. Hagar verdwaalt in de woestijn van Bersjeba. In deze desolaatheid komt zij ons heel dichtbij. Wij volgen nu hààr ge-dachten en gevoelens, haar handelen. Voor het eerst heet ze nu Hagar, niet meer ‘de slavin van’ of de ‘dienares van’. Niemand die haar nog gebiedt, niemand die haar nog beschermt, zij is hier zélf iemand. Maar in die lege wildernis is het mis-schien te laat en zal zij met haar kind sterven. Uitgeput doet zij afstand van haar zoon. Hij wordt niet meer Ismaël genoemd, zelfs niet meer ‘haar zoon’, maar ‘het kind’. Zij werpt het kind onder een struik, staat er letterlijk. Dan gaat ze huilend op een afstand van haar stervende kind zitten, buiten oor - en oogbereik.

Maar JHWH hoort het kermen van de jongen, staat er met een zinspeling op zijn naam: Ismaël betekent immers: 'God hoort'. "Wat is er Hagar, wees niet bang..." woorden die ieder menskind in grote nood zou moeten kunnen horen... De engel van God roept Hagar toe de jongen op te nemen en hem vast te houden. Anders dan in Gen.16, toen Hagar zelf de woestijn invluchtte en terug moest naar de hand van haar meesteres, moet ze nu hààr zoon in hààr hand houden. Zij draagt nu zorg voor hem. Zo ontvangt Hagar voor de tweede keer haar zoon en wordt zij als ‘moe-der’ erkend. Dan volgt opnieuw de belofte van haar aartsmoederschap: ‘ik zal hem tot een groot volk maken’. In minimale bewoor­dingen wordt het vervolg beschreven: ‘de jongen groeit voorspoedig op en zijn moeder zoekt hem een vrouw.’ Hagar wordt hier voor het eerst met ‘moeder’ aangeduid: zij is ‘zijn moeder’. Hier wordt haar kant gekozen.

Hagar is geen kleine bijbelse figuur. Zij heeft God gezien als "de Levende die mij ziet". Dat zien wordt van weinigen in de bijbel gezegd. Van Jakob, bij de Jabbok, en het maakt hem gebrekkig. Van Gideon, maar hij leeft vervolgens in angst te zullen sterven. En Jesaja roept uit na zijn vi­sioen: ‘Wee mij, ik ben verloren, mijn ogen hebben God gezien’. Voor Hagar is het anders: geen verterend vuur, geen grote vrees. Haar visioen van God is verbon­den met een waterput, een bron. God is voor haar de frisheid van water in de woestijn, leven voor haar kind, beloofde toekomst.

Daarin herkennen vrouwen uit de derde wereld zichzelf, Braziliaanse dienstmeisjes, zwarte vrouwen. Bijvoorbeeld: in vele geschreven en gesproken bronnen binnen de afro-amerikaanse gemeen­schap komen verhalen van Hagar voor. De theologe Delores Williams schrijft daarover: Je ziet dat God geen bevrijdende rol speelt in het verhaal van Hagar, maar dat God wel aanwezig is bij het overleven van Hagar en haar zoon Ismaël. Toen ze weggelopen was zocht God haar op in de woestijn en stuurde haar terug naar Sara, en nadat Hagar en haar kind weggestuurd waren zonder enige vorm van bescherming of middelen van bestaan gaf God haar een bron om te overleven. Veel zwarte vrouwen getuigen dat God hen helpt om van 'niets iets te maken', en zij geloven dat Hij betrokken is in hun strijd om te overleven en hen daarin actief steunt.

Delores Williams spreekt van een ‘risico nemend geloof' (a risk-taking faith), een geloof net als dat van Hagar.

Zij durft het aan om in de diepste wanhoop van 'er niet mogen zijn' toch nog een stem te beluisteren die haar doet vertrouwen en opstaan. Dat klinkt ook zo in de moslimtraditie: "Jij wiens stem ik hoor heb je iets bij je om me te helpen?...

Zij durft het aan om God, die ze in de wildernis ontmoet, een naam te te geven die vanuit een diepe krachtbron in haarzelf opborrelt: de Levende die mij ziet. Een naam die op een andere manier herhaald wordt in haar zoon Ismaël: een God die luistert, hoort en tot spreken, handelen, leven aanzet. De God van Hagar heeft een Naam die het waard is om door latere generaties de toekomst in gedragen telkens opnieuw beleefd te worden en waargemaakt, ook door ons.

Abraham, Sara, Hagar, Isaak, Ismaël: aartsvaders, aartsmoeders, aartskinderen. In de diepte van de verhalen over hen lezen we dat 'het zien en het horen' van de Eeuwige hen allen omvat en dat in dat brede - ieder mensenkind omvattende - meeleven ook wij al vervat zitten, dat op een visionaire manier toekomst wordt opengehouden en beloofd en bronnen van leven stromen om uit te drinken en voorspoedig verder te groeien.

Rita Weynants - Lier - De Brug - 26 september 2010

bronnen: Jota 28, Hagar en Sara, KBS/VBS; Siertsema Bettine (red.) Aartsmoeders, Kok, Kampen, 1994.

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Juli 2018
M D W D V Z Z
25 26 27 28 29 30 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 31 1 2 3 4 5

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen