Adam en Eva (13 februari 2010 - 2/2)

Toelichting gehouden door Hugo Vereeck

Goed en Kwaad

Dit hele bekende verhaal over die boom van de kennis van goed en kwaad is niet geschreven bij het begin van de wereld, het is slechts tweeduizend zeshonderd jaar oud, alle Staphorsters en creationisten ten spijt. Het verhaal ontstaat tijdens de ballingschap in dat gebied waar de ellende en de verknechting, de brutale deportatie van een volk, plaatsvinden. En meteen rijst bij hen de vraag : hoe is dat ons nu overkomen? Daar gaan de israelieten dieper op in, heel diep in het zoeken naar een antwoord en ze schrijven het op. Het is een verhaal van troost en inzicht.

 

In geen enkele versie van het boek Genesis komt er een appel voor. Maar het is wel duidelijk dat wij in ons leven door een zure appel zullen bijten. Het paradijs wordt op diezelfde plaats van al hun miserie gesitueerd, daar waar het onrecht hoogtij viert. Adam en Eva zijn naakt en schamen zich niet. Ze leven in de onschuldige vrijheid met mekaar. Die harmonie duurt niet lang. De slang komt op toneel en verleidt Eva. Ook Adam at van die vrucht van de boom van kennis en toen gingen hun ogen open. Ze zoeken bedekking en schamen zich voor elkaar, ze hebben wat te verbergen. Tegelijk is er de drang om zich te beschermen, zich te omhullen. God spreekt Adam aan : Waar ben je? Hij verbergt zich omdat hij naakt is. Hij verstopt zich.

Wij hebben het soms moeilijk om onze eigen waarheid onder ogen te zien. Bouwen een façade op en zoeken verontschuldigingen. Herkenbaar gedrag om de appel door te schuiven naar de anderen. In laatste instantie geeft Adam de schuld aan God zelf, want Hij heeft hem een vrouw gegeven en weigert om zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Het eten van de boom van de kennis is een daad van bewustwording, een eeuwige zoektocht. Een mens valt uit zijn paradijselijke toestand en herkent zijn lichte en donkere kanten. De mens kan nu onderscheid maken tussen goed en kwaad met de stem van zijn geweten, het aanvoelen en het begrijpen. Voor de eerste mensen is het een noodzakelijke stap op de weg van de menswording. Niet alleen de strijd en spanning tussen geslachten komt hier naar voor, maar wel de relaties tussen mensen die een weg zoeken.

Gelijkenis

De vraag van God is heel belangrijk vandaag : Waar ben je? Ben je helemaal jezelf, ben je echt jezelf? Waar zit je met je gedachten en kan jij je aanvaarden zoals je bent? Waar sta je, hoe en wat ben je? verscheurd, sterk of zwak, hartstochtelijk, laf of ontwijkend. Existentiële vragen om tot mens uit te groeien. Geef daar maar eens een antwoord op. Daar ben ik al lang mee bezig, maar nog niet mee klaar.

Niet alleen de drang naar de hebzucht, de vergelding, naar aanzien en macht leeft in mij, herkenbaar in de ander, maar ook de hunker naar het hervinden van de paradijseliijke toestand, – de moederschoot wordt in vele psalmen als beeld gebruikt – toen er nog geen sprake was van de verleiding en dat die verdomde appel van goed en kwaad nog niet was uitgevonden. Die hunker naar een gedroomd vredevol bestaan kan alleen in relatie, in een brede sociale context. En dat is niet te koop voor een appel en een ei.

Van in het begin leeft een mens niet alleen : hij is creatief en vermenigvuldigt zich. Onze eigen geschiedenis met de opvoeding, school, de buurt, werksituaties en mensen heeft ons tot hier geleid en leert onderscheid maken.

In relatie ontdekt de mens wie hij is en worden kan. Er ontstaat toekomst. maar hoe? In het eerste scheppingsverhaal Genesis 1, schept God op de zesde dag de mens en zegt : Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken …. De mens lijkt dus juist in zijn dubbelheid als man en vrouw op God. Er werd  uit deze tekst een eigen theologie afgeleid door de kerkvaders, die de Griekse taal kenden maar niet met de joodse vertelwijze vertrouwd waren. Je kan toch geen appelen met peren vergelijken. Evenbeeld staat er, beeld wordt het. Zo wordt dat  de taak van de mensen om meer en meer op God te lijken. Gelijkenis doelt op de mens, en niet om zelf God te worden in het diepst van mijn gedachten. Aldus Willem Kloos en die kende dat verhaaltje uit een andere godenwereld, je weet wel : Narcissus aan de rots vastgeklonken zag zichzelf voorovergebogen in het water en werd zo verliefd op zijn eigen gespiegeld beeld dat hij voortdurend wou omarmen en zo verdrinkt hij. Dat waarschuwt mij voor de zelfvernietiging, een heel groot kwaad. Het is een hele zware dobber, een hele zure appel om dat beeld te verlaten. Nochtans is het een noodzakelijke weg naar bewustwording. Het is een kans om zicht te krijgen op de samenhang en de verhouding tot de medemens en met onze keuze tussen het goed en kwaad in onszelf. Stilaan mag ik begrijpen dat hebzucht, macht en aanzien oorzaken zijn die het leven vernietigen en slachtoffers maken, dit is het grootste kwaad. We kunnen ons steeds naar elkaar keren of omdraaien, ons afkeren. Vorige week stonden deze complementaire stukken hout hier naar mekaar gekeerd. Je ziet, het kan ook anders. Die keuze kan ook hier. Ook de beleving van een spirituele verbondenheid vertrekt vanuit een beeld dat ik van mezelf maak.

Of het nu om appelen, peren of citroenen gaat, heeft geen belang. We plukken vandaag nog steeds de vruchten van goed en kwaad. Nog steeds een uitdaging om mens te worden.

Hoe ga ik om met het kwaad?

Kunnen we het goede en het kwade een plaats geven en integreren in het leven? In jeugdige overmoed willen wij het kwaad bestrijden. Het helpt niet.

Hoe integreren we onze agressie? Woede is immers een kracht voor de zelfverdediging en een hulp om energiek op te komen tegen het onrecht dat aangedaan wordt aan anderen, aan een groep, een volk, aan weduwen en wezen die geen kansen krijgen, waar mensen uitgebuit worden en vernederd. De verontwaardiging van de psalmist daarjuist. Zij zijn evenzeer het evenbeeld van de Eeuwige. Soms, bij het horen van dagelijks meestal slechte nieuws, zojuist geïllustreerd in de psalm, word ik kwaad op het kwaad : het raakt me, maar kwaad worden helpt niet.

Wanneer ik het  goede wil doen, veroorzaak ik misschien nog ander kwaad. Waar  de slechten worden verketterd en de slachtoffers gecanoniseerd worden, komt de polarisatie gewoon muurvast te zitten. Dan blijf ik die cow-boy en jij die Indiaan. Het helpt ook al niet; af en toe word ik er droevig van, intriest : hoe is het mogelijk dat mensen dat mekaar zoiets aandoen?

In de Begijnenstraat viel het mij op dat ik bijna niet kon geloven dat een sympatieke vlotte jongen hier terecht gekomen was voor serieus zware feiten. Hij zag er toch zo normaal uit. Kunnen we wel de ogen sluiten voor het kwaad dat schuil gaat onder de “velen”.

En ik stel vast dat het fabeltje dat de rotte appels in de mand moeten verwijderd worden, ook niet helpt.

Er is het aloude besef dat het kwaad niet onbestraft kan blijven. Zelfs de vergelding, de bloedwraak voor de grote boosdoener, treffelijk geïllustreerd door het verhaal van Kaïn en Abel wordt reeds helemaal in het begin van de bijbel doorbroken : “Wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten, spreekt de Eeuwige (Gn 4, 15)”. Het is de bescherming door God toegezegd voor de weerloze enkeling.

De psalm is duidelijk, er wordt aan de Ene gevraagd om de vergelding te voltrekken. Niet aan ons komt dat recht toe, ook dat moet ik uit handen geven. Mijn onmacht toegeven. Zoals die gedeporteerde ballingen in Babylon met gebalde vuisten machteloos waren, en na hen zovelen doorheen de geschiedenis, vandaag is het helaas nog niet anders.

De verleiding is groot om de vergelding en het recht in eigen handen te nemen, wanneer we zelf gekwetst worden of onrecht ondervinden, zo van : “de wraak is goed, gebruik ze goed” spoken in mijn hoofd. “Oog om oog, tand om tand,” bekende woorden uit het Eerste verbond (Ex. 21, 21-24) Lv. 24,20, Dt 19,21) gaan nog steeds de wereld rond als een handleiding voor burenruzies en oorlogen.

Kan het kwaad dan ongestraft blijven? Wie voltrekt die straf? In het tweede verbond zegt Jezus, bij monde van Matteus : “Maar ik zeg u geen weerstand te bieden aan het kwaad. Gij hebt gehoord dat er gezegd is : gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u : bemin uw vijanden”.

Wat doen we ermee? “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe het ook een ander niet”, zo staat het in het boek Tobit (4,15). Later, bij Lucas (6, 31) klinkt het positiever : “Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen”.

Bij Matteus krijgen we een antwoord (5, 39) om “geen kwaad met kwaad te vergelden”. Hier wordt de vergeldingswet overstegen en het beginsel van de geweldloosheid ingevoerd.

Het worden trappen van inzicht, bewustwording, schuldherkenning, herstel, berouw, vergeving. Een totale ommekeer en een heel diep bewustzijnsproces.

Lucas (6, 27-28) gaat hier nog verder : “Bemin uw vijanden, doe wel aan wie u haten, zegen hen die u vervloeken en bid voor hen die u mishandelen”. De ander is dan eerst een hater, wordt een vervloeker en tenslotte iemand die mishandelt. En de uiterste houding van geweldloosheid wordt ons dan aangekaart, namelijk geen vergelding van het kwaad, en als iemand u op de ene wang slaat, keert hem dan ook de ander. Ik heb het daar soms heel moeilijk mee.

De psalmist neemt de wraak niet in zich op, verontwaardiging en machteloze woede worden uitgesproken en toevertrouwd aan de Eeuwige. “God van de vergelding, verschijn”, wordt er gebeden in de eerste lezing waar we duidelijk de onmacht en het inzicht horen klinken. Bijna het onmogelijke najagen. Niet als een “watje”, want voor zulke houding is er moed nodig, de zachte moed. Vanuit onze onmacht mogen we ons toe vertrouwen, het leven in de handen van de Eeuwige leggen om voor mezelf en voor anderen op te komen, jawel. De vragen blijven. Waar ligt hier onze creativiteit om een goed samenleven mogelijk te maken? Om elkaar te herkennen als beeld en gelijkenis van de Eeuwige? Is dit de weg naar het verloren paradijs? .

In de psalm komt het vertrouwen aan bod : “uw troost was mijn vreugde, uw liefde die mij steunt. Mijn God is een rots, mijn toevlucht.” Als de mens op zijn schepper, zijn evenbeeld wil lijken, mag hij in alle vrijheid zijn relaties ophelderen en vorm geven zoals de Eeuwige het van het begin af aan heeft toebedacht : geen onderwerping maar gelijkwaardigheid; geen verachting maar achting, niet tegenover mekaar maar samen, geen verdeeldheid maar eenwording.

Hier wil ik eindigen met de woorden van Paulus : “dat ik niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf verloren ga”.

 

Voorbeden

de scherven … ze zullen niet kwetsen;

de kogels … ze zullen niet treffen;

de bomen … ze zullen niet ontwortelen;

de woorden … ze zullen niet opdringen;

de beelden … ze zullen niet verbergen;

de stormen … ze zullen niet meesleuren;

de machtigen … ze zullen niet vernederen;

de volkeren … ze zullen niet schenden;

de wolven … ze zullen niet verscheuren;

de handen … ze zullen niet verwringen;

de boze tongen … ze zullen niet oordelen;

de haaien … ze zullen niet verminken;

de bondgenoten … zij zullen niet jagen;

de  heersers … ze zullen niet misleiden;

de gekromde ruggen … ze zullen niet zwijgen;

de gekwetsten … zij zullen niet begrijpen;

de veroordeelden … ze zullen vloeken;

 

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Juli 2018
M D W D V Z Z
25 26 27 28 29 30 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 31 1 2 3 4 5

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen