05.06.2010 Psalmen.

Toelichting werd gehouden door Paul Kevers.

 

Psalm 150 (vertaling Ida Gerhardt – Marie van der Zeyde)

 

Godlof!

Looft God in zijn heilig domein,

looft hem in zijn groots firmament,

looft hem om zijn daden van macht,

looft hem krachtens zijn mateloze grootheid.


Looft hem met de stoot op de ramshoorn,

looft hem met harp en met cither,

looft hem met handtrom en reidans,

looft hem met snaren en fluit.

Looft hem met slaande cymbalen,

looft hem met klinkende cimbels.

Alles wat adem heeft love de Heer!

Godlof!

Toelichting bij Psalm 150

 

1.

Psalm 150 is het slotakkoord van het hele Psalmenboek. Zoals alle lofpsalmen begint dit lied met een oproep om God te loven. God die gesitueerd wordt ‘in zijn heilig domein’ – dat is wellicht de tempel van Jeruzalem – maar meteen ook ‘in zijn groots firmament’, dat is de hele kosmos. Een stenen gebouw zoals de tempel kan de Eeuwige immers niet bevatten, net zomin als een kerkstructuur of een ideologie.

 

Dan volgen de motieven waarom we God moeten loven: ‘om zijn daden van macht’ – zijn daden van bevrijding in de heilsgeschiedenis van Israël – maar ook ‘om zijn mateloze grootheid’. De Onuitsprekelijke gaat immers ieder bevattingsvermogen te boven.

 

Ten slotte zegt de psalm hoe we Gods lof moeten zingen: met ramshoorn en fluit, met harp en met citer, met handtrom en cimbaal. Een compleet orkest, met snaarinstrumenten, blazers en slagwerk. Bovendien mag er gedanst worden, er is sprake van ‘reidans’. En in de laatste zin staat: ‘Alles wat adem heeft love de Heer! Halleluja’. Een veelstemmig koor, waarin iedere vogel mag zingen zoals hij gebekt is...

 

2.

Op zichzelf beschouwd is Psalm 150 misschien niet zo heel rijk aan inhoud. Maar we moeten die psalm zien in het kader van het hele Psalmenboek. In de joodse traditie wordt het Psalmenboek in het Hebreeuws sefer tehillim genoemd, ‘boek van de lofliederen’. Nochtans staan er in dat boek veel meer klaagliederen dan lofzangen. Ongeveer de helft van de 150 psalmen zijn klaagliederen of smeekpsalmen, gebeden van mensen die in grote nood om hulp roepen. De lofpsalmen zijn veruit in de minderheid. Maar het valt op dat de klaagpsalmen vooral in de eerste helft van het Psalmenboek staan. En de lofpsalmen vooral naar het einde toe. De laatste vijf psalmen zijn allemaal lofliederen, die beginnen en eindigen met de uitroep ‘Hallelu-jah’, ‘Looft Jahweh’, ‘Godlof’. Psalm 150 is daarvan de apotheose.

 

De samenstellers van het Psalmenboek hebben de psalmen doelbewust zo geordend. Door dat boek heen loopt een lijn van klagen naar loven. Wie de Psalmen van 1 tot 150 achter elkaar bidt (zoals de monniken en de woestijnvaders deden) maakt een leerproces door. Het gebed begint bij de eigen noodsituatie, het is een kreet om hulp. Maar gaandeweg leert men die eigen situatie wat los te laten en de blik te verruimen. Er zijn ook zoveel redenen om dank te zeggen. Het smeekgebed evolueert steeds meer in de richting van een lofprijzing.

 

Het is trouwens opvallend dat we binnen in sommige smeekpsalmen een zelfde evolutie constateren. Bijvoorbeeld in Psalm 22: ‘God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’: een schrijnende klacht van iemand die diep in de put zit. ‘Ik ben geen mens meer, ik ben een worm, gehoond door de mensen, veracht door de buurt. Ik ben bespottelijk in aller ogen, iedereen lacht me hoofdschuddend uit. ... Het gepeupel heeft mij omsingeld, ze hebben mijn handen en voeten doorboord en al mijn ribben kan ik tellen. ... Gij, Eeuwige, wees nu niet ver weg! Help mij, wees mijn sterkte!’. En dan, op het einde, doet zich in de psalm een plotse wending voor. De psalmist is niet langer omsingeld door het gepeupel, maar bevindt zich in een broederlijke kring. God heeft hem toch niet de rug toegekeerd, maar zijn roepen gehoord. Midden in de dood heeft de psalmist de Levende ontmoet, midden in het lijden – of mogen we zeggen: juist door dit lijden? – ervaart hij dat God hem niet verlaat. God veracht de armoe van de arme niet. In het lijden is Hij als mee-lijdende nabij. En dus eindigt de psalm met een loflied: ‘Dit is mijn lied in de kring van de gemeente, en daar zal ik mijn belofte volbrengen. De armen zullen eten en worden verzadigd, en allen die de Eeuwige zoeken zegenen zijn Naam. Zij zullen opleven voor altijd en eeuwig. Halleluja!’.

 

3.

Vorige week, in de toelichting van Jan De Roeck, hebben we geleerd dat de Psalmen geworteld zijn in het concrete leven. Ze hebben een maatschappelijke dimensie en de psalmisten sluiten hun ogen niet voor het kwaad en het onrecht in de wereld. Vandaag leren de lofpsalmen ons dat wij de hoop en het vertrouwen nooit mogen opgeven. De machten van het kwaad zullen het laatste woord niet hebben. Het leven en de liefde zijn sterker dan de dood. Wij kunnen gehoor geven aan de Stem die ons roept en zegt: ‘Ik heb de ellende van mijn volk gezien, de noodkreet van de armen gehoord. Neem je verantwoordelijkheid en draag zorg voor elkaar!’. Wij mogen ons toevertrouwen aan de Stem die belooft: ‘Ik zal er zijn – jullie namen staan geschreven in de palm van mijn hand’. Bij die Beloftevolle mogen wij ons geborgen weten. Niemand, nooit, is zo sterk dat hij ons rooft zijn hand. En daarom: ‘Al wat adem heeft love de Eeuwige!’

 

En wat dan met mensen die het moeilijk hebben met een persoonlijk Godsbeeld, of die zich agnosticus noemen? Kunnen zij de woorden van de Psalmen in de mond nemen? Ik weet het niet, maar ik hoop dat het misschien toch mogelijk is. Al zullen de woorden ‘God’ en ‘Heer’ dan wel ‘hertaald’ of anders ingevuld moeten worden. Maar ik kan mij voorstellen dat wie openstaat voor het Mysterie, zich ook opgenomen en geborgen weet in een groter geheel, en vertrouwen voelt, en dankbaarheid en bewondering. ‘Hoe groter het eiland van de kennis, des te groter is ook het strand van de verwondering’ zo luidt een gevleugelde uitspraak van de Amerikaanse dominee Ralph W. Sockman. En op dat strand, onder een ‘groots firmament’, kan een loflied weerklinken: ‘Al wat adem heeft love die Werkelijkheid die ons te boven gaat. Halleluja!’.