01.05.2010 Verscheidenheid in Christendom en Islam

Toelichting gehouden door Roger Lenaers.

 

Men vraagt me om vanavond te spreken over verscheidenheid, pluriformiteit, in het christendom. Daarbij kan het wel niet gaan over pluriformiteit in de dagelijkse vormgeving van ons geloof.

 


 

Die is onvoorstelbaar groot, als men op de vroomheidsuitingen, spiritualiteiten, devoties, gebedsvormen, tradities, religieuze praktijken enz. let en aan de erachter liggende voorstellingen denkt, en daarbij tegelijk nog terugblikt vanaf nu tot aan de tijd van de oerkerk. Men kan er een encyclopedie mee vullen. Er bestaan overigens zo´n encyclopedie, de monumentale Dictionnaire de Spiritualité in 21 grote delen.

Het gaat vanavond over de vraag of de ene boodschap van ons geloof als christen op verschillende en zelfs tegenstrijdige wijzen geformuleerd kan worden. In de monolitische roomse kerk is het antwoord een klaar neen. De vele anathemen en excommunicaties in de loop van de kerkgeschiedenis en de vele veroordelingen van moderne theologen illustreren dat. Maar in den beginne was dat niet zo. Het Nieuwe Testament laat dat duidelijk zien. Het heeft ruimte gelaten voor zo uiteenlopende opvattingen dat men veeleer van tegenstrijdigheden moet spreken. En niet bij nevenzaken, zelfs bij hetgeen toch het centrum van onze belijdenis Jezus van Nazaret is. De drie synoptische evangelies noemen hem wel de zoon van God, maar alleen in de zin van die uitdrukking in het Oude Testament, dus als door God gezonden Messias, en juist niet in de zin van het vierde evangelie, waarin hij de eenmalige incarnatie van God zelf wordt. Beide manieren om Jezus te benaderen zijn door het Nieuwe Testament gecanoniseerd, d.i. als geldig erkend door hun opname in de bijbelcanon, die weergeeft wat binnen de christelijke belijdenis thuishoort. Een ander voorbeeld is de tegenspraak tussen Paulus en Jakobus inzake de verhouding tussen geloof en werken, die anderhalf millenium later voor Luther een breekpunt zou worden, zozeer dat hij daarom de brief van Jakobus liefst uit de canon weg wilde.

In de kerkgeschiedenis is die pluriformiteit geleidelijk een vergeten goed geworden. Al tamelijk gauw is de kerkleiding begonnen met behulp van praktische of dogmatische omheiningen de pluriformiteit tot een ongevaarlijk minimum te beperken. In de kerkelijke traditie steekt blijkbaar een neiging tot uitsluiting, en dus een angst voor pluriformiteit Die neiging vertoont zelfs al aanzetten in het Nieuwe Testament. Denk aan het 2e hoofdstuk van de 1e Johannesbrief 18-19: “Inderdaad zijn er nu al veel antichristen opgestaan. Ze zijn uit ons midden voortgekomen, maar ze behoorden niet werkelijk tot ons”. Die trend zet zich door in de geschiedenis. Denk aan de veroordeling in de 2e eeuw van de gnostici of van Marcion en aan de anathemen in de eerste vier concilies: in 325 worden in Nicea de opvattingen van de Arianen veroordeeld, in 351 in Constantinopel die van de pneumatomachen, in 431 in Ephese die van de Nestorianen, in 481 in Chalcedon die van de monofysieten. En zo zal het verdergaan. De parabel van het onkruid onder de tarwe schijnt weinig weerklank gevonden te hebben. De kerkgeschiedenis wordt een geschiedenis van het uitrukken van wat onkruid leek, van uitsluitingen, die de ene catholica van het begin gereduceerd heeft tot de huidige Rooms-katholieke kerk, welk woord tussen haakjes gezegd een contradictio in terminis is. Het Griekse adjectief kat-holikos betekent immers universeel, en noemde oorspronkelijk het geheel van de lokale kerken, Rooms daarentegen noemt één groep en langniet meer dat geheel van alle lokale kerken. Het woord ketterij doelde oorspronkelijk op de opvattingen van de Zuidfranse katharen. Nadien werd het gebruikt voor elke leer die als hetero-dox gold, letterlijk: anders-denkend, gold, anders dan de heersende en als enig juiste geldende voorstellingen.

Het moderne gelovige denken kan het daarmee niet meer eens zijn. Het heeft nl. de relativiteit van alle religieuze visies ingezien. Daarvoor moest men eerst de rijkdom van andere religieuze visies vermoeden. De voormoderne gelovigheid had die alle tot werk van de duivel verklaard en was daardoor blind gebleven voor de waarden ervan.

Die neiging tot demonisering was een angstreactie op het vreemde, dat het eigene leek te bedreigen. In werkelijkheid bedreigde het alleen de engheid en armoede van het eigene, en was het een aanbod van verrijking. Maar wij mensen identificeren het eigene zo spontaan met het eigen ik, dat we het andere, het nog vreemde, als een bedreiging voor dat ik aanvoelen. En een ik dat zich bedreigd voelt, is tot alles in staat, ook tot het ergste. Alle religieuze vervolgingen zijn daarvan het gevolg.

De moderniteit opende het oog voor de relativiteit van de traditionele christelijke voorstellingen door het tijd- en cultuurgebonden karakter te laten zien van hun fundament, m.a.w. van het bestaan van een alwetende tweede wereld, die genadig meegedeeld zou hebben wat waar is en wat niet. Eerst het besef dat die voorstelling niet meer houdbaar was, maakte de weg vrij voor een opener benadering van andere religieuze voorstellingen en uitingen, waaraan ook wel dezelfde relativiteit aankleeft als aan de onze, maar met behulp waarvan we de onze kunnen zuiveren en verrijken.

De ontdekking van die relativiteit had vervolgens daarmee te maken, dat de moderne gelovigheid weer oog kreeg voor een deemoedig licht, dat door de felle schijn van de traditionele zekerheden bijna gedoofd was. Dat deemoedige licht, door de mystiek gehoed, is het weten dat de naam God alleen maar een verwijzende naam is, verwijzend naar het onvatbare, onuitsprekelijke, naamloze, verrukkelijke Geheim achter en in alle werkelijkheid; en dat de handjes van onze menselijke geest te klein zijn om dat Mysterie te grijpen, te be-grijpen, in begrippen te vatten en vast te leggen.

Dat Onvatbare kent mn alleen door het te ontmoeten, existentieel ermee een te worden, in liefde en overgave ermee te versmelten. Menselijke woorden kunnen alleen de tastende uitdrukking zijn van die ontmoeting met dat Onvatbare. En onze menselijke beperktheid maakt elke uitdrukking ervan eenzijdig en voorlopig, sluit elke exactheid en definitieve weergave van te voren uit.

Pluriformiteit is de erkenning dat alle religieuze voorstellingen, formuleringen, gebruiken en wetten relatief zijn. Maar relativiteit suggereert relativisme en dat woord doet in het Vatikaan.direct alle alarmklokken luiden. Dat is niet vreemd. Hoe meer men in de voormoderne traditie verankerd is, des te meer huivert men bij de gedachte dat onze zekerheden alleen maar meningen zouden zijn. Wie zijn leven op de zekerheid van die overgeërfde voorstellingen gebouwd heeft, ervaart de ondermijning ervan als de ondermijning van zijn levensproject, van de zin die hij aan zijn leven gegeven heeft. En die wil dat niet waar hebben.

Pluriformiteit houdt zeker gevaren in. Niet alles is verzoenbaar met het wezenlijke van het geloof van de christen. Al is het christelijke veld veel wijder dan het roomse deel ervan, het is toch ook zelf een omheind gebied, dat zich van andere omheinde gebieden, andere levensbeschouwingen, onderscheidt. Wie of wat bepaalt waar die omheining verloopt, wat binnen en wat buiten is? Ik denk: de naam christen. Die duidt toch erop dat men zich bekent tot Christus, de historische Jezus van Nazareth op een bijzondere manier benaderd, namelijk als de Christos, de Messias, in welke joodse titel men dan de droom leest van een betere toekomst voor de mensheid, niet meer alleen voor het jodendom. Christen zijn betekent dan dat men zich met zijn leven die Jezus toewendt, omdat men daarvan een betere toekomst voor de mensheid en voor zichzelf verwacht. En dat men door die toewending gaat behoren tot de grote groep van gelijkgezinden, die kerk heet, kyriakè, gemeenschap van de kyrios Jezus. Meer lijkt als wezenlijk criterium niet te geven te zijn. Daar verloopt de omheining. Maar daarbinnen is plaats voor velen, voor veel voorstellingen en opvattingen. Daar duikt het paulinische beeld van het lichaam op, waarin de hand heel anders is en handelt dan de voet en het oog iets heel anders doet dan het oor, terwijl ze alle toch gelijkelijk tot het lichaam behoren en het goed van het lichaam dienen. Of het beeld van de regenboog, waarin geen enkele kleur de andere uitsluit, maar zich harmonisch ermee verbindt en zo samen de regenboog tot stand brengt die catholica heet.

De catholica is wezenlijk pluriform, omdat de “God” die zich via Jezus van Nazareth uitspreekt, steeds groter is, altijd al onze woorden en voorstellingen en formuleringen overstijgt. Daardoor is ze ook historisch pluriform. Praxis en opvattingen en zelfs leerstellingen komen en gaan in de loop van de eeuwen, en hebben alle hun waarde, want alle zijn het tijdgebonden pogingen het onvatbare te vatten. Soms is die waarde heel gering, soms heel groot. Als in de catholica de scheppende goddelijke Geest werkzaam is, zal het betere wel op de duur het minder waardevolle verdringen. Ook is de catholica in het heden oneindig pluriform, vertoont een onvoorstelbare veelheid en variatie, vormt ze een duizendkleurige regenboog n, waarin elke kleur iets eigens openbaart van het Mysterie dat zich via Jezus manifesteert. Ook vandaag zal dat eigene soms maar arm zijn, soms zeer rijk. Wij hebben de taak te zoeken wat waardevoller is en dat de voorrang te geven. Dat doen we als we ons zelf eerlijk tot Jezus in zijn messiasfunctie toewenden, zijn weg au sérieux nemen, ons naar hem orïenteren, kortom: metterdaad in hem geloven. En dat geloof in hem grijpt heel wat dieper en houdt heel wat meer in dan enkele van zijn ideeën als waardevol te beschouwen

Dat totale geloof in Jezus als omheining van het christen zijn laten gelden, maakt klaar dat een moslim geen christen is, ook al vereert hij Jezus als een profeet, een hindoe of een agnost ook niet. Maar niet het binnen of buiten de omheinig zijn is het beslissende. Niet het etiket maakt de wijn goed of minderwaardig, maar de inhoud van de fles. Wezenlijk voor die inhoud is de intrede in de praxis van Jezus Messias, die een praxis is van zelveloos dienen. Daarzonder is een christelijke belijdenis nog niets. Paulus formuleert in 1 Kor 7:17 in een andere context iets soortgelijks: “Waar het op aankomt is niet of men besneden of onbesneden is, maar of men Gods gebod onderhoudt.” Zo is het ook in het verhaal van de drie monniken: niet of men al dan niet het onzevader kent, is belangrijk, maar of men van die Vader vervuld en daardoor getransformeerd is. Zo ook komt het er in laatste instantie niet op aan of men binnen of buiten de wijde omheining van de christelijke belijdenis woont, of men christen is of niet, maar of men zelveloos dient. Daar opent de pluriformiteit binnen het christendom zich op iets dat nog fundamenteler is, op de onvoorwaardelijke voorrang van de vermenselijking.

Voorbeden

In de onuitputtelijke rijkdom van de werkelijkheid, ook met kwaad en lijden daarin, openbaart Gij iets van uw heerlijke Wezenheid. Open ons hart dat we u in die veelvormigheid ontmoeten en u danken en loven

Op de andersheid van de anderen reageren de meesten negatief. Ze houden hun beperktheid en armoede voor een volkomenheid die door die confrontatie bedreigd wordt. Vervul alle mensen van uw Geest van openheid, zodat ze erin slagen uit zichzelf te treden en zich te laten opnemen in een wereldwijde gemeenschap.

Doordring de wereld van de wijsheid dat Gij het goede langs vele wegen tot stand brengt, en dat alles wat uit de liefde voor mensen geboren wordt een vonk van uw eigen mensenliefde is. Dan zal men, ophouden af te keuren en te veroordelen maar zich verheugen over hetgeen Gij schept.

Hoe zouden we U, Ocean, kunnen vatten in de schelp van ons beperkte kennen? Maak ons bereid te luisteren naar hetgeen anderen van U ervaren, want hoe meer van uw licht we zien, hoe minder de duisternis wordt waarin we u moeten vinden.