2018.02.17 Putervaringen-Jozef, Jona, Jeremia

De toelichting werd gehouden door Paul De Witte

JOZEF IN DE PUT.

Een actualiserende overdenking bij Genesis 37

1.

Het centrale thema van het hele boek Genesis is: de wording van Israël te midden van de volkeren op aarde. In de bijbel gaat het over het heil en geluk van de hele bewoonde wereld.

En daarbinnen krijgt Israël een centrale rol toebedeeld: dit volkje van niets wordt in de figuur van Abraham uit de volkeren weggeroepen om een andere weg te gaan dan de gangbare wegen van de volkeren, waarin de wet van de sterkste de dienst uitmaakt. In Israël zouden nooit concurrentie en verdrukking centraal mogen staan, maar wel broederschap. In dit deel van Genesis staat juist deze moeizame weg naar de broederschap centraal. Vanaf hoofdstuk 37 begint deze weg naar de broederschap, en uit heel het verhaal blijkt hoe moeizaam deze weg is.

2.

Het verhaal waarmee de cyclus over Jozef begint moeten we vanuit die context proberen te verstaan.

Jakob had 12 zonen, die staan voor de twaalf stammen van Israël. De oudste drie – Ruben, Simeon en Levi - hadden het zo bont gemaakt dat ze niet in aanmerking kwamen om eerstgeborene te worden. Zo werd aan de vierde zoon Juda het eerstgeboorterecht toebedeeld. Eigenlijk had vader Jakob de staatsiemantel over de schouders van Juda moeten hangen. Maar dat doet hij dus niet. Hier moeten we goed opletten: Juda, de vierde zoon van Lea,  staat voor het huis van Juda; voor Jeruzalem, dat in ballingschap is weggevoerd. Het zijn deze ballingen, die goed naar dit verhaal moeten luisteren, want zij zijn de eerste geadresseerden. Want over hen gaat het als er over Juda gesproken wordt.

Niet Juda krijgt de mantel, maar Jozef, de elfde zoon van Jakob, maar wel de eerstgeborene van zijn lievelingsvrouw Rachel, die evenals de eerste twee aartsmoeders in Israël – Sara en Rebecca – aanvankelijk onvruchtbaar blijven en pas op latere leeftijd hun eerstgeborene  zullen baren. En deze zoon is in de bijbel steeds een teken van toekomst, vooral in tijden van crisis en van hoge nood. Door de mantel op Jozefs schouder te leggen plaatst Jakob deze zoon in functie: hij zal een teken van toekomst zijn voor alle zonen van Israël, voor alle stammen.

Hiermee maakt de bijbel komaf met alle rechten van zogenaamde eerstgeborenen naar het bloed. Juda kan zomaar vanzelfsprekend geen enkel recht doen gelden omdat hij de eerste in lijn geworden is. Neen, Juda zal pas zijn rol als voorganger van zijn broeders kunnen spelen, en dat wordt op het einde van de verhalencyclus duidelijk, wanneer hij te midden van zijn broeders de onderlinge solidariteit herstelt.

Dat Jozef de mantel krijgt en daarbij nog wat rare dromen gaat dromen, maakt de andere broers zo jaloers, dat ze bereid zijn hem te doden. Dankzij Ruben, die om dubbelzinnige motieven (hij hoopt daarmee terug op een goed blaadje te komen bij vader Jakob) Jozef wil redden, maar vooral dankzij Juda wordt Jozef niet gedood, maar als slaaf verkocht, waardoor hij in Egypte terechtkomt en zo later zijn familie en volk van de hongerdood redt.

Dat Jozef in de put terechtkomt is hier veel meer dan het resultaat van een psychologisch drama dat zich onder jaloerse broers afspeelt.  Want in heel dit verhaal horen we geen woord over hoe Jozef zelf zich hierbij moet gevoeld hebben. We horen Jozef nauwelijks iets zeggen. Van zodra het verhaal goed op gang komt, horen we Jozef maar twee dingen zeggen.

Als Jakob Jozef naar zijn broeders in Sichem stuurt, antwoord hij: “hier ben ik!” (vers 13). In de Hebreeuwse tekst staat er ‘hineni’: het antwoord bij uitstek van profeten wanneer ze worden geroepen.

En even later antwoordt hij op de vraag van iemand wat hij daar loopt te doen: “ik ben op zoek naar mijn broeders” (vers 16).

Deze twee woorden bepalen al de dagen van Jozef: hier ben ik en ik ben op zoek naar mijn broeders: ik zal er zijn om de broers te zoeken.

En daarvoor heeft hij alles over. Hij moet daarvoor eerst afdalen in een doodsput, want er staat geen leven gevend water in; en daarna moet hij afdalen naar het doodsland Egypte, wanneer hij door al zijn broeders als slaaf verkocht wordt. En daar in Egypte zal hij opnieuw moeten afdalen in de gevangenis omdat hij trouw wil blijven aan de weg van de Thora.

Deze putervaringen zijn doodservaringen waar geroepenen – Israël als volk bijvoorbeeld  of Jezus Messias aan het kruis – doorheen moeten om de weg van het leven in broederschap voor te bereiden.

3.

De hele bijbelse geschiedenis komt in dit verhaal samen.

Volgens de bijbelse verhalen kwam in 922 vóór de gewone tijdrekening een einde aan het door David en Salomo ééngemaakte koninkrijk Israël. Het Noordrijk  scheurde zich af van het Zuidrijk. Dat Noordrijk werd Israël genoemd of ook wel het huis van Jozef. Het Zuidrijk kreeg de naam Juda met Jeruzalem als hoofdstad.

In 722 voor Christus kwam een einde aan het Noordrijk, aan het huis van Jozef, dat onder de voet werd gelopen door de Assyrische troepen. Het Zuidrijk bleef ternauwernood gespaard.

In 587 voor Christus ging ook het huis van Juda ten onder: Jeruzalem en de tempel verwoest, duizenden inwoners gingen in ballingschap, wellicht de meest dramatische gebeurtenis uit de oudtestamentische geschiedenis. Daar in de vergeetput van die ballingschap in Babylonië, levend te midden van vreemde goden en verteerd door heimwee naar Jeruzalem, gaat het volk onder leiding van profeten en voorgangers nadenken over zijn verleden. Niet uit heimwee naar “de goede oude tijd”, maar om te zien of er nog wel een toekomst was.

Deze levensgrote vraag was niet onterecht: geen politieke macht meer, het religieus centrum herschapen in een ruïne, een onaanzienlijk restje mensen, opgegaan in de wereld van de volkeren. Wat kon daarvan nog worden verwacht?

Hoe kon Israël, dat nauwelijks nog iets voorstelde, zijn rol blijven spelen in de geschiedenis: een profetische rol door een samenleving op te bouwen, waarin niet het recht van de sterkste de politiek en economie bepaalt, maar wel het recht van de zwakken, gesymboliseerd door het bekende bijbelse drietal: het recht van vreemdeling, de wees en de weduwe?

In de ballingschap in Babylonië zijn er begenadigde schrijvers geweest, die de oude tradities van hun volk hebben neergeschreven in een kunstig gecomponeerd geheel. Ze hebben profetische verhalen geschreven, die de ballingen in Babel een spiegel voor willen houden: willen zij in de wereld nog een rol spelen als volk van de belofte, willen zij nog toekomst hebben, dan mogen ze Jozef niet vergeten, dan mogen ze het anderhalve eeuw voordien verdwenen huis van Jozef niet in de steek laten. Ofwel kiezen ze voor de onderlinge solidariteit tussen de broeders en dan is er toekomst mogelijk; ofwel kiezen ze niet voor de solidariteit en laten ze hun broeder Jozef in de put dood achter of verkopen ze hem aan een bende slavendrijvers, dan is het uit met de droom van het volk Israël. Dan wordt de mantel, die het symbool is van de profetische opdracht van dit volk in het bloed gedoopt en vernietigd.

4.

Wie kan zich als hedendaagse christen niet in deze geschiedenis herkennen? Wie zijn de christenen nog in deze samenleving en in deze tijd? Zijn wij meer dan een restje mensen, ontdaan van machtsaanspraken en pretenties uit de tijd van het Rijke Roomse leven? Leven wij niet in een wereld, waarin de goden de dienst uitmaken, en worden we zelf niet – als persoon, als gezin en als gemeenschap – dag na dag verleid door die aantrekkelijke vleespotten, die we als “bange blanke mannen en vrouwen” angstvallig afschermen voor vreemdelingen en randgangers? En als christelijke gemeenschap zitten we met de vraag: hoe kunnen wij trouw blijven aan onze profetische opdracht: een gemeenschap, die midden de wereld teken is van een nieuwe wereld, een andere wereld?

Hoe kunnen we ons herkennen in Jozef die zegt: hineni, hier ben ik op zoek naar mijn broeders en zusters. Door niet jaloers te zijn wanneer de mantel niet meer op onze schouders wordt gelegd. Op wiens schouders dan wel? Op die van de meest onaanzienlijken, van wie naar de normen van onze samenleving niets te verwachten valt. Op die van de broeders en zusters, Gods naamgenoten, die in de verdrukking leven. Wil deze wereld nog toekomst hebben, dan kunnen wij, levend in het rijke westen – rijk maar onbevredigd in onze diepste verlangens – luisteren naar de dromen van Jozef, naar de dromen van hen naar wie nooit geluisterd wordt: dat de schulden van de armste landen, die geen schulden zijn, worden kwijtgescholden; dat er eerlijke verhoudingen mogen komen in de wereld van economie en handel; dat kinderen in de Derde Wereld mogen spelen in plaats van voor een hongerloon te moeten werken in de vergeetputten; dat meisjes zich niet meer moeten laten prostitueren om eten te kunnen kopen voor hun familie. Dat is de droom van Jozef. De koninklijke droom, die ons vandaag wordt voorgehouden. Laten we niet treurig zijn omdat we als rijke christenen in het rijke westen wat ont-mantel-d worden, zodat we oog en oor krijgen voor hen die mogen leven onder de beschermende mantel van de God van Israël. Dan worden wij tot een profetische tegenstem. Laten we ons in deze veertigdagentijd volstromen met de levensadem van deze God, die in Jezus van Nazareth, zoon van Jozef én uit het geslacht van Juda, alle kansen heeft gekregen. Laten we bidden dat die geest ook in ons mag vaardig worden. Het moge zo zijn.

Voorbeden

1. Denken wij hier en nu aan de vele mensen en volkeren die ook vandaag terechtkomen in de vergeetputten van de geschiedenis. Laten we het stil maken en proberen hen in de ogen te kijken.

Bidden wij dat er mensen opstaan uit hun apathie en onverschilligheid en kiezen voor solidariteit. En dat wij ons bij die mensen van opstanding aansluiten.

2. Denken wij aan mensen en volkeren die leven in oorlogsgebieden en verlangend uitkijken naar vrede.  Laten we het stil maken en proberen hen in de ogen te kijken.

Bidden wij dat de woorden over vrede die zo vaak klinken in onze liturgische samenkomsten, meer zijn dan holle frasen, dat wij leren zien dat enkel gerechtigheid echte vrede voortbrengt.

3. Denken wij hier en nu aan mensen, die dichtbij en veraf, die de weg van profeten durven gaan en daarvoor veel op het spel zetten. Laten we het stil maken en proberen hen in de ogen te kijken. Niet om onszelf schuldgevoelens aan te praten maar om wegen te leren  zien waar schijnbaar geen wegen zijn

Bidden wij dat deze meestal naamloze profeten, gewoon mensen die doen wat gedaan moet worden, trouw blijven en standhouden en zich gedragen voelen door bondgenoten.

4. Denken wij ook aan onszelf, aan de mensen die we zijn en aan de wegen die we tot op heden zijn gegaan. Laten we het stil maken en proberen onszelf hen in de ogen te kijken, maar ook de velen die ons in alle bescheidenheid op de weg van een leven in betrokkenheid  en empathie zijn voorgegaan.

Bidden we dan ook hier en nu voor onszelf dat we proberen onze daden in éénklank te beleven  met onze woorden en dat we onszelf en anderen met tederheid leren vergeven wanneer wij en zij daar vaak niet in slagen.

Paul De Witte

 

 

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Juni 2018
M D W D V Z Z
28 29 30 31 1 2 3
4 5 6 7 8 9 10
11 12 13 14 15 16 17
18 19 20 21 22 23 24
25 26 27 28 29 30 1

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen