2017.01.28 'Op-lichten' op de wijze van Levinas

de toelichting werd gehouden door Roger Burggraeve

1
“ALS JE IN JE BROER DE VREEMDELING ERKENT”
Het denken van Levinas ‘à-Dieu’ vertrekt steeds vanuit de menselijke context van onze ervaring van het gelaat van de ander en onze bejegening, namelijk onze verantwoordelijkheid voor de ander.
Over de ander en onze verhouding tot die ander is één van zijn paradoxale uitspraken (in een interview met Emmanuel Hirsch: ‘La vocation de l’autre’):
“Le moment où la fraternité arrive à son sens plein, c’est lorque, dans le frère même, l’étranger est reconnu. L’au-delà du tribal. Le tribal n’est pas à proscrire, et comporte bien des vertus. Mais, en principe, l’humain c’est la conscience qu’il y a encore un pas de plus à faire: apaiser le tribal. Scandaleuse exigence” (VA 96).
“Wanneer je in je broer de vreemdeling erkent, dan krijgt de broederschap haar volle zin. Boven elke stamverwantschap uit. Dat wil niet zeggen dat we de stamverwantschap moeten verwerpen, er schuilen heel wat goede krachten in. Maar in principe is menselijkheid het besef dat er nog een stap méér nodig is: de tribale neiging tot rust brengen. Een ergerlijke eis!”
Het vertrekpunt is de natuurlijke broederschap als ‘herkenning’: de ander is mijn alter-ego. Levinas noemt het ook de ‘sympathie’ en ‘wederkerigheid’. Vertrekkend van mijn ‘identiteit’ (met alle eigenschappen, kwaliteiten, karakteristieken…) vind ik die eigenschappen bij de ander terug. Vanuit die herkenning voel ik affiniteit met de ander: hij is mijn gelijke: “un autre moi-même”. Dan kan individueel zijn en groepsmatig. In groep geeft dat warme solidariteit, met heel wat krachten en deugden. De tribale broederschap is niet verwerpelijk. Integendeel. Ik hoor ergens bij en in de wederzijdse herkenning van ‘gelijk-gezinden’ vinden we soelaas, toevlucht, verbondenheid, warmte… en zoveel méér.
De beschaving begin echter wanneer ik in mijn broer of zus een ‘ander’ ontdek, een vreemde, een mysterie. De ander ontsnapt mij. Vandaar dat voor Levinas het gelaat van de ander ook een ‘negatieve’ betekenis heeft, namelijk van ‘terugtrekking’. Het gelaat is letterlijk ‘gerimpeld’: un peau à rides… Doorheen die rimpels – die barsten, zou Leonard Cohen zeggen – breekt de andersheid van de ander door: zijn mysterie dat voor mij onkenbaar is. In mijn kennis vertrek ik wel van de waarneming, namelijk van wat ik zie. Ik zie kenmerken, die ik in een ‘Gestalt’ samenvoeg tot een ‘gezicht’. Maar de ander valt nooit met zijn gezicht samen. De ander is anders dan zijn gezicht. Dat is precies wat Levinas met gelaat bedoelt. De ander doorbreekt zijn verschijning als datgene wat uit zijn verschijning terugwijkt. De ander is onherleidbaar tot zijn fysionomie en tot alle beelden en voorstellingen die wij er, dankzij onze perceptie en ‘diagnostiek’, kunnen van maken – en waardoor wij op de ander beslag kunnen leggen. Deze negativiteit van de bezwijming van de ander in zijn gezicht heeft ook een positieve kant, namelijk de expressie van de ander. De ander breekt door zijn vorm – fysionomie, psychologie, sociologie, etnografie… - door zich
2
uit te drukken: de ander kijkt mij aan, spreekt tot mij – wat Levinas ook het traumatisme van
de ontmoeting noemt, ‘ervaring bij uitstek’ omdat ik met iets ‘nieuws’ te maken krig dat ik
niet in mezelf terugvind. Ik kan de expressie – bij uitstek de expressie van zijn andersheid –
niet voorspellen. Ik ben de ontvangende, de ‘ge-hoor-zame’: het horen gaat boven het zien.
Natuurlijk kan ik vanuit de baatzucht van mijn eigen identiteit proberen de ander toch te
benaderen als mijn ‘ander-ik’, en dus tot mij te herleiden als mijn ‘natuurlijk broer of zus’.
Maar dat is een vorm van ontkenning van het anders-zijn van de anders zijn en dus van
geweld. Levinas noemt het ook ‘bekoring om te doden’. De ethische betekenis van deze
bekoring is het verbod te doden: ‘Gij zult niet doden’. Uiteraard weten we dat we kunnen
doden op veel manieren: “Je kunt de ander niet alleen doodsteken met een mes, je kunt
haar of hem ook op velerlei wijzen verpletteren’. Het is voor Levinas duidelijk onze ethische
verhouding met de ander begint met ‘terughoudendheid’, zich inhouden, ervan afzien de
ander tot zich te herleiden als voedsel of instrument, op de ander beslag te leggen, direct of
indirect, subtiel of brutaal… Met Plato noemt hij dat de ‘fikè’ die ook de eros tekent: huiver,
omzichtigheid, zich terugtrekken, aarzelen, ongemak…
De positieve dynamiek die met deze terughoudendheid gepaard gaat is de erkenning (niet
herkenning!), namelijk recht doen aan de andersheid van de ander. Concreet de schok van
de ontdekking van de vreemdheid in onze ‘broer of zus’ transformeren tot eerbied voor haar
of zijn vreemdheid. En het stopt niet met deze erkenning. Ze ontvouwt zich ook als
goedheid: de ander in zijn noden tegemoet treden. Of zoals Levinas het zegt: ‘De honger van
de ander is heilig’. Goedheid dus ook als het ‘werk’ van de diaconie. Verantwoordelijkheid
voor de ander, sterker nog: verantwoordelijkheid voor de verantwoordelijkheid van de
ander, zowel voor zichzelf als voor anderen. En last but not least: de ander in zijn lijden en
sterven niet aan zijn lot overlaten.
In het verhaal van Abraham en de drie bedoeïenen, die vreemdelingen zijn omdat ze niet tot
zijn familie of stam behoren, zien we hoe Abraham vanuit zijn identiteit – hij zit in de
schaduw van zijn tent, omgeven door zijn ‘familie en stam’ – plots, onvoorzien te maken
krijgt met de drie vreemdelingen die vanuit de verte in de woestijn voor hem opduiken. Ze
verstoren zijn ‘chez soi’, maar dat belet niet dat hij zich door hun lot en lijden – de
verschroeiende hitte van de middagzon – laat aanspreken, en erop ingaat met zijn
gastvrijheid. Gastvrijheid is de ander in de intimiteit van je geborgenheid (met je vrouw)
binnenlaten, en de ander ook tegemoet treden in zijn ‘ellende’: zijn voeten wassen, voedsel
en drank voorzetten… niet om de ander te weerhouden en in eigen intimiteit, huiselijkheid,
op te sluiten, maar om haar of hem te sterken ‘voor de verdere reis’.
Maar er is méér aan de hand. Want de gastvrijheid van Abraham is ook de ‘plaats’ (le lieu
divin), waar God zich openbaart. Let wel, ook al begint het Bijbelverhaal met de
aankondiging dat God zich aan Abraham openbaart onder de eik van Mamre, er zou van
geen openbaring sprake zijn geweest als Abraham de drie vreemdelingen geen gastvrijheid
3
had geboden. Abraham zou God nooit ‘gezien’ hebben, als hij op het appel dat van de
ellende van de bedoeïenen – vreemdelingen – niet zou ingegaan zijn. Enkel dankzij de
gastvrijheid ziet hij God. De ethiek als geestelijke optiek!
Dat is ook wat Levinas bedoelt als hij het gelaat van de ander een ‘à-Dieu’ noemt, een ‘naar-
God-toe’. Het gelaat van de ander als vreemdeling wekt in mij het idee van verhevenheid en
oneindigheid: het is de ‘hoogte, de kromming van de intersubjectieve ruimte’ waar God ons
te binnen schiet. Of liever, het is maar pas wanneer wij erkenning geven aan de vreemde
andersheid van de ander dat wij tot God toegang krijgen: ‘responsabilité pour l’étranger
comme à-Dieu’.
Vandaar ook de Talmoedische midrash die in het kader van het verhaal van Abraham
opduikt. Op hetzelfde moment als de drie vreemdelingen opduiken, verschijnt ook God ten
tonele. De midrash vertelt hoe Abraham zich tot de Heer wendt met de vraag of hij ‘niet wil
voorbijgaan, maar even wil wachten’, want ‘hij moet eerst de vreemdelingen in de woestijn
bijstaan’. De gastvrijheid gaat voor op onze directe godsrelatie. Sterker nog: onze
gastvrijheid stelt onze godsrelatie in. Door de ander, de vreemdeling, te erkennen en recht
te doen, krijgen wij God te zien. Vandaar ook dat Levinas in zijn eerste hoofdwerk ‘Totalité et
Infini’ (1961) stelt: “God verheft zich tot zijn meest verheven en uiteindelijke
tegenwoordigheid naarmate er aan de mensen recht wordt gedaan. Het werk van de
rechtvaardigheid is nodig wil de doorbraak optreden die naar God leidt – en het ‘zien’ valt
hier samen met dit ‘doen’ van de rechtvaardigheid. Los van de relatie met de mensen kan er
geen enkele ‘kennis’ van God. Alles wat niet teruggebracht kan worden tot een
intermenselijke betrekking, vertegenwoordigt geen superieure maar de voor altijd primitieve
vorm van religie” (TI 51-52).
Pro manuscripto: Roger Burggraeve (KU Leuven), H. Geestcollege, Naamsestraat 40, B-3000 Leuven.
Email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Januari 2018
M D W D V Z Z
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31 1 2 3 4

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen