2016.10.17 Bijbelse bergervaringen

De toelichting werd gehouden door Bert Lodewijckx.

Vanouds ga ik al naar de bergen, in der tijd liefst naar de grote bergen, Oostenrijk mijn tweede thuisland.

 

Ik was nog jong 14 jaar als ik al met mijn ouders ging, ik dartelde de bergen op en rolde langs hellingen naar beneden, ik stond te lachen aan de hoeken van de wegen waar mijn ouders puffend boven kwamen. Het was maar een spel maar het genieten begon van het weidse, de natuur, het ongelooflijke zicht op de top van een berg. Toen al kon de natuur mij overweldigen en ontroeren, een dankbare diepte die naar boven kwam. Jaren later mijn petekind was toen ongeveer 14 jaar beklommen we samen de hoogste berg van de regio. Niet spectaculair hoog, 3200 meter maar wel de top waar je moest zijn wilde je de regio kunnen overzien. Mijn zus was in de beginfase van cvs die uitbrak en bleef met haar man beneden, ik met mijn petekind naar boven, de tocht van de vakantie met een stralende zon. Ik moet niet zeggen dat zij huppelend de berg op ging en ik puffend vorderde, ze stond te lachen op de hoeken van de wegen waar ze met een brede glimlach mij opwachtte, huppelend verder als ik haar naderde. De eenzaamheid van de tocht deed mij rondkijken en genieten, eerst het bos, in zijn schaduwrijke donkerte, het bracht mij al rust en flarden van de voorbije maanden gingen door mijn geest, verdriet ook dat in een stille traan werd weggepinkt. Dan de laatste boom, een eenzame reus die mij groette en mij zond de wijdte van de velden in. De bloemen die als een lenteveld mij tegemoet kwamen verwarmden mijn hart en ik dacht aan zoveel vriendschap en liefde die mij te beurt was gevallen, juist nu donkere tijden mij hadden overmand. Het fleurige deed herleven. De zuurstof werd armer en ik voelde dat mijn adem in een ritme van stap en beweging op orde kwam. Het was de adem van het leven die ik nodig had en ik voelde iets van Gods adem die mij droeg over sterke hellingen heen. Mijn petekind zag mij van verre gaan en huppelde het landschap in. Ik keek ze na en in mijn hart bloeide liefde om dit kind aan de drempel van volwassenheid die ik zo lief had. Wie zou ze leren kennen, zal ze gelukkig worden. Dankbaar omdat ik peter mocht zijn, bekommerd om zo een jong leven dat nog de hardheid van het samen leven moest ervaren. Ik legde een traan van verbondenheid in Gods hand. Het landschap werd kaler, de bergen om mij heen kleiner, het dal tekende zich af, een wonder van transformatie, langs elke hoek werd het anders. In mij tekende zich de verscheidenheid van het leven, in al zijn dimensies, in al zijn onmacht, in al zijn kunnen. Ik botste net voor de rotsen op een zeldzame bloem, een enziaan, een blauwe kelk op een korte stengel, ik roep mijn petekind in de verte en roep haar toe de zeldzaamheid van mijn ontdekking, huppelend komt ze kijken en straalt als een bloem om de kleine pracht die we mochten aanschouwen, even samen genieten en zijn om een wonder in zoveel ruigheid, leven dat amper mogelijk is maar er wel is. Stil getuigend dat ondanks alles leven mogelijk is. De rotsen worden nu het hoofdingrediënt, met iets van klauteren. Mijn lichaam hijgt zich de berg op. Mijn petekind zegt spottend dat er misschien wat te veel kilootjes aan mijn lichaam hangen. Nu is het doorbijten, niet opgeven, je grens verleggen, weinig zuurstof hebben en toch gaan. Ik voel de energie van mijn engagement, het leven waar ik voor ga en het bidt in mij, dat ik mag volhouden, kracht mag vinden. Bij het laatste stuk, wacht mijn petekind mij op, zij weet dat het nu moeilijk wordt, grint, zand en steentjes, waar ik door de steilte op uitschuif, ik glij twee meter terug en schaaf mij aan mijn handen, gaat het nonkel Bert, het gaat. Ik besef dat ik tot het uiterste ga van mijn doorzettingsvermogen maar wil de weg ten einde gaan. Ik voel mijn onmacht, ik voel zoveel tegenkanting maar ik bid om kracht, laat mij de weg van het leven gaan. Een fijne hand trekt mij mee de laatste meter op, een blik van erkenning is genoeg. Met zorg gaat ze met mij verder, het is nog een hele klauterpartij tussen rotsen en ook een fijne richel met een afgrond van enkele meters. Ik hou mijn hart vast maar in een wip en een gauw is ze erover, zelf overwin ik de richel met trillende benen, een held ben ik nooit geweest. Daar moeten we straks weer over, het beangstigd mijn geest. Maar ergens is er fierheid, ik heb het toch maar gedaan. Wat volgt is een openbaring, nog enkele meters en de top is bereikt. We hebben chance, we zijn alleen. Het landschap is onbeschrijflijk, toppen om je heen, in de verte de grotere bergen met hun eeuwige sneeuw en aan de andere kant ligt Duitsland, de bergen worden kleiner en daarachter strekt zich de vlakte uit. Blijven we hier wat zitten vraagt mijn petekind? Ik knik en puf nog even na. Zij straalt om zoveel pracht en zet zich zalig op een steen. Ik laat alles tot mij toekomen en adem diep. Het is een genade, hier te mogen zijn, ik geniet met volle teugen en zet mij ook neer. Het is alsof alles tot eenheid komt en voel intense verbondenheid, met de natuur, met het leven, met mensen die mij gegeven zijn. In mij bidt het, een eindeloze stroom van liefde komt mij tegemoet, in stille tranen, ik hou dit privé maar mijn petekind voelt dat ik stilte nodig heb. Wat er dan met een mens gebeurd is niet te beschrijven. Eenheid, liefde, verbondenheid, en groeiende gedrevenheid om de weg van het leven verder te gaan. Ik bid voor mijn zus die het zo moeilijk heeft, ik bid voor mijn petekind en haar broer, ik bid om zoveel mensen mij gegeven, ze passeren de revue, mijn hart bidt en iets bidt met mij mee. Ik zie de vlakte en besef dat ik terug moet gaan, ik wil een tent bouwen maar weet dat dat niet kan. Intense eenheid en verbondenheid, het is op zeldzame momenten gegeven. Ik adem de natuur in al zijn goorheid maar ook in zijn schoonheid, ik adem de aanwezigheid van mijn petekind, ik adem het leven. Ik weet niet meer hoe lang het geduurd heeft. Gaan we terug naar beneden, klinkt er een stem van ongeduldig leven. Ik kijk haar met ogen van tranen aan en vraag nog een kwartiertje, dit jonge hart beseft in alle eenvoud dat ik dit nog nodig heb. Ik doorvoel de bergen, ik doorvoel de vlakte, ik doorvoel het leven en diepe dankbaarheid komt in mijn hart en ik dank God om zoveel mooiheid. Kom we gaan zeg ik en we beginnen aan de afdaling langs rosten en richel, glijdend en schavend maar het deert niet. Even een groet aan het bloempje onderweg. Ik voel mijn knieën, een daler ben ik nooit geweest. Bij die eerste oude boom rust ik even en vertel die boom in een intieme aanraking wat mij is overkomen, in een omarming van energie zend hij mij op weg het dal in. Beneden wacht mijn familie. Hoe was het daarboven, prachtig, ik kijk in de ogen van mijn zus en voel weemoed, zij weet wat bergen doen. In al haar onmacht glimlacht ze ons toe. Ik zeg haar,  morgen is het jouw dag, dan duw ik jou met een rolstoel de alm op. Het wordt ook een mooie dag, zij leert genieten van het beneden zicht, de flanken, de beken, de watervallen, de bloemen en diep weet ik dat zij op haar manier bidt, een nieuwe toekomst tegemoet.

 

Bert Lodewijckx