2015.11.21 Het bijbelboek Apocalyps

Toelichting door Paul Kevers.

‘De vrouw en de draak’  (Apokalyps 12,1-6)

We hoorden het begin van hoofdstuk 12 uit de Apokalyps. Met dat hoofdstuk begint het dramatische hoogtepunt van het boek. Hoofdrolspelers komen tegenover elkaar te staan in een onverzoenlijke tegenstelling. Tegenover de Draak en zijn trawanten staan Michaël en daarna Christus zelf. Tegenover de weerloze Vrouw, die moeder is, staat de uitdagende Vrouw op het beest (zie de afbeelding op de voorzijde van het blaadje). Zij stelt Babylon voor, ‘de grote hoer’, en daar wordt dan weer het hemelse Jeruzalem tegenover gesteld, de geliefde stad die als een bruid is (daarover zal het volgende week gaan).

Laten we inzoomen op de beelden die we in de lezing van vandaag hebben gehoord. “Een groot teken verscheen aan de hemel: een vrouw, omkleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en barensnood.” Een menselijke gestalte, met kosmische afmetingen. Zon, maan en sterren: heel de kosmos wordt opgeroepen – en te midden daarvan een mens, en wel een vrouw. Het is voor het eerst dat in de Apokalyps een vrouw optreedt; in de elf vorige hoofdstukken waren alleen mannelijke figuren te zien: de Hoogbejaarde, de ouderlingen, de vier ruiters, enzovoorts. Maar nu dus een vrouw, en wel een zwangere vrouw, die op het punt staat een kind te baren. Die vrouw is een koninklijke gestalte: de zon is haar mantel, de sterren haar kroon. Maar zij roept ook kwetsbaarheid en weerloosheid op: als zwangere vrouw in barensnood symboliseert zij de kwetsbare gedaante van het altijd weer bedreigde leven. Maar het is een kwetsbaarheid die geen zwakheid is, eerder kracht: taaiheid, geduld, de moed om te dragen en te verdragen, om leven te geven en door te geven. En daarover gaat het toch in de Apokalyps, zo hoorden we vorige week van Egbert Rooze: kracht en moed om vol te houden in tijden van verdrukking…  Die verdrukking wordt opgeroepen in het tweede beeld.

“Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op zijn kop zeven diademen.” Een vuurspuwende draak: een mythologisch monster, dat op vele manieren geïnterpreteerd kan worden. Op zijn kop zeven diademen: het verwijst naar de groten der aarde, naar de machthebbers van alle tijden die de wereld onderdrukken. Zeven koppen en tien horens: symbool van het Kwaad, dat altijd weer de kop opsteekt.

Het heeft zijn kop opgestoken in Parijs, in blinde terreur en angstaanjagend geweld. Maar het steekt ook zijn kop op in de bekoring om haat met haat te beantwoorden, om op geweld te reageren met repressie, om te verzanden in een heilloos ‘wij tegenover zij’-denken… Een grote, vuurrode draak.

“De draak stond vóór de vrouw die zou baren, om haar kind te verslinden zodra zij het gebaard had.” Niet op de vrouw heeft de draak het gemunt, maar op haar kind. Waarom zijn draken en monsters zo verzot op kinderen? Waarom geven de farao’s en de Herodessen bevel om kinderen te doden? Waarom treffen terroristen onschuldigen? Zien zij hun machtsposities bedreigd door al wat jong is en nieuw leven, nieuwe toekomst in zich draagt?

Maar het kind wordt gered. Het leven wint het en de toekomst blijft openstaan. Het kind wordt ijlings weggevoerd naar God en zijn troon, naar het beveiligde domein. En de vrouw vlucht naar de ‘woestijn’ – naar de uiterste soberheid van het naakte bestaan. Terugvallen op het wezenlijke, en al het overige, alle glans en valse schone schijn opgeven. Vluchten: weerloos willen zijn. Niet kunnen en niet willen terugslaan. Het kwade niet met zijn eigen wapens bevechten. Maar “gevoed worden door God, twaalfhonderdzestig dagen” (code-taal van de Apokalyps: 1260 dagen = 42 maanden = 3,5 jaar): de kracht van het wachten, van het geduld, van het uithouden ondanks alles…

Zo staat in dit tafereel teken tegenover teken. Kwetsbaarheid tegenover geweld. Het heldere tegenover het duistere. Het menselijke tegenover het beestachtige on-menselijke. Geboorteweeën tegenover leven verslinden. Leven tegenover dood. En de overtuiging wordt uitgesproken dat de geweldloze kwetsbaarheid het uiteindelijk zal halen.

Er is nog veel meer te zeggen over dit visioen. Ik heb tot nu toe de algemeen-menselijke symboliek ervan geduid. Maar het zit ook vol bijbelse toespelingen. Het doet bijvoorbeeld denken aan het paradijsverhaal van Genesis 3, over de vrouw en de slang, en aan de woorden die de slang daar van God te horen krijgt: “Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw kroost en het hare…” De vrouw is dezelfde in de twee teksten, zij is ‘Eva, de moeder van alle levenden’.

De Vrouw van ons visioen is ook ‘Vrouwe Sion, dochter Jeruzalem’ waarover de profeten spreken. Zij is het treurende Jeruzalem uit de tijd van de ballingschap, die dan toch op onvermoede wijze wordt gezegend. De Vrouw is Israël, de kroon van twaalf sterren om haar hoofd doet ons denken aan de twaalf stammen. Zij is het volk dat in de woestijn door God werd gevoed. Zij is dat volk dat, in de barensnood van een tragische geschiedenis, door verval en ballingschap heen, de Messias aan de wereld heeft geschonken. Zij is tegelijk ook de moederlijke Kerk van het nieuwe verbond. De christelijke traditie heeft in haar ook de concrete gestalte van Maria gezien – Apoalyps 12 is de eerste lezing op het feest van Maria’s tenhemelopneming –, al is dat niet de kernbetekenis van het tafereel.

Kortom, er zitten heel veel betekenissen in dit visioen van Johannes. Al het lijden, al de barensweeën van het goede in de mensengeschiedenis mogen erin meegelezen worden. Elke mens die leeft in pijn en bedreiging, of in angst voor de blinde machten van het kwaad, kan zichzelf in deze voorstelling herkennen. Elke mens mag zichzelf enigermate identificeren met de Vrouw zowel als met haar Kind. Als we maar niet blind blijven voor het feit dat er ook iets van die ‘vuurrode draak met zeven koppen en tien horens’ in ieder van ons zit… De kiemen van haat, agressie en oorlog zitten evengoed in ieder mens als het verlangen naar liefde, medemenselijkheid en vrede. Het goede nieuws dat de Apokalyps brengt, is de overtuiging dat de draak uiteindelijk wordt overwonnen. “Hij valt uit elkaar in zeshonderdzesenzestig stukjes”, schrijven Karel Eykman en Bert Bouman in hun versie van de Apokalyps. Laten we blijven geloven in de droom van Johannes, niet meedoen met de ‘Draak’ maar kiezen voor de kwetsbare kracht van ‘de Vrouw en haar Kind’.

Paul Kevers
(met dank aan Frans Cromphout, Hoelang nog? Een pad door de Apokalyps, Leuven, 1979, p. 75-85)


 

Voorbede

– Openen wij ons hart voor de mensen die slachtoffer zijn van geweld en onderdrukking, van oorlog of discriminatie. Mensen voor wie “de vuurrode draak” van de Apokalyps dagelijkse realiteit is… Laten wij hopen dat er voor hen redding mag zijn, begrip, opvang, een veilige plek om te vluchten…

– Openen wij ons hart voor de mensen die vandaag  heel bang zijn voor terroristische aanslagen, en die nog banger worden gemaakt door de berichtgeving in de media, door de soldaten op straat, door de ‘oorlogstaal’ van sommige politieke leiders… dat zij ook impulsen krijgen die vertrouwen wekken, die helpen relativeren, die de aandacht vestigen op het vele goede dat er in de wereld gebeurt…

 

– Laat ons blijven geloven in de droom van Johannes: dat we niet zwichten voor de bekoring om haat met haat en geweld met geweld te beantwoorden, dat we blijven kiezen voor de kwetsbare kracht van de geweldloosheid, de open dialoog, de zorg voor de zwaksten… Bidden wij dat het visioen niet verdwijnt, dat de kracht der hoop ons niet begeeft.

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

April 2018
M D W D V Z Z
26 27 28 29 30 31 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 1 2 3 4 5 6

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen