2015.09.26 Kris gelaude,haar liederen en teksten

Toelichting van Kris Gelaude

 

Beschouwing bij het lied ‘Geen weg is te lang’

Gedurende verschillende jaren stonden in de Godelieve-abdij in Brugge, de beelden van de Duitse kunstenaar Tony Zenz. Zijn leven lang heeft hij bijbelse beelden gemaakt. Tussen de meestal vrij grote en vooral innemende beelden, stond een opvallend klein beeldje. Dat van een man, steunend op zijn staf en luisterend met een hand aan het oor. Dat oor is dan ook veel groter dan het andere. Volgens de kunstenaar kan je er Abraham in herkennen, of Jozef, iemand met beide voeten op de grond, maar die het menselijke met het goddelijke weet te verbinden. Het ging hem vooral om die houding van waken en luisteren naar wat er hier en nu gebeurt, om daar dan zorgzaam op in te gaan. En om op die manier kracht en hoop te betekenen voor anderen.

Wanneer ik in het lied schrijf : ‘Geen weg is te lang, geen steen is te zwaar voor wie van het eerste vuur zijn doordrongen. Zij weten van hoop. Zij dragen het licht. In hen welt een lied dat stamvaders zongen....’ dan gaat het ook daarover. Over de wakenden van vandaag, die met aandacht luisteren naar anderen en klaar staan om te doen wat nodig is. Zij die met onvermoeibare begeestering mensen samen brengen. Ik noem ze graag ‘verbindingsmensen’, die inspireren en in beweging brengen. Die ook altijd verder wijzen dan zichzelf. Door wat ze doen vormen zij een tegenkracht, die veel sterker is dan de vele vormen van apathie en van cynisme in deze wereld. Zolang dat gebeurt zal hoop steeds weer ontkiemen, zij het misschien soms op een ondenkbare manier. Daar gaat het toch om, om een hoop die tij en ontij overleeft en die in mensen die op zoek zijn altijd weer vonken licht aansteekt, waardoor het goddelijke gaat doorschemeren.

Ik geloof dus in mensen die met mensen begaan zijn en die met ze meegaan, omdat ik geloof in een God die dat zelf ook doet. Zo heeft Hij zich toch laten kennen op die lange weg van het volk dat Hij het zijne genoemd heeft. Ik denk dat God, in geen enkele tijd, ooit gediend geweest kan zijn met dogma’s en leerstellingen. Dat kan hem alleen maar heel ver van mensen weghouden. En ze veeleer opzadelen met angst, i.p.v. ze vatbaar te maken voor vertrouwen en voor genade.

Wat hebben wij aan onaantastbare godsbeelden, als ze niet kunnen ondergebracht worden in ons menselijk bestaan? En hoe moet je verstaan dat God mens geworden is, als je hem niet kunt vinden onder mensen, sprekend en herkenbaar, met vragende blik of getekend door onmacht en kwetsbaarheid?

Toen ik destijds de film ‘Des hommes et des dieux’ zag, was ik daar sterk door aangegrepen. Door het verhaal op zich uiteraard. Maar ook door de manier waarop de keuze van de monikken om bij de mensen van het dorp te blijven, in enkele krachtige woorden wordt samengevat. Eens ze die keuze gemaakt hadden, wetend hoe hun leven hierdoor bedreigd wordt, zegt de abt o.a.: ‘Wij gaan van geboorte naar geboorte’. En hij voegt eraan toe dat er niets is dat hen zozeer kan doen gelijken op het ‘kind dat met kerstmis onder ons verschijnt’ dan precies die weerloosheid en kwetsbaarheid die ze op zich nemen.

Ik denk dat het beeld van een bijzonder menselijke, weerloze God, voor ons pas zijn volle betekenis kan krijgen, als wij er eerst zelf toe komen om alle privileges af te leggen en om weerloosheid en onmacht in ons eigen leven toe te laten. Maar vaak moet heel ons denken en misschien zelfs onze manier van leven daartoe omgevormd worden. En moet het een prioriteit worden om uit te kijken naar het/de ongeziene en het/hem met alle eerbied en respect te benaderen.

Ooit vond ik een prachtig gedicht van Toon Tellegen, dat tegen alle klassieke beelden ingaat en juist daardoor verrast en ogen kan openen.

‘Toen de mensen eenmaal groot waren

en almachtig,

na lang wachten,

vonden zij God,

ergens verklemd in het donker op de grond.

Zo zo God, zeiden ze, u hier...

Zij schudden hun hoofd.

Maar niet lang daarna strooiden zij brood,

zetten schoteltjes wijn voor hem neer

en zagen

hoe hij aarzelend dichterbij kwam.

En heel voorzichtig, met één vinger,

raakten zij hem aan.’

De dichter heeft a.h.w. alles omgekeerd. En je kan het gedicht op twee manieren lezen. Er zitten twee verhalen in.

Dat van de mens, die geen weet meer heeft van zijn oorsprong, die zichzelf boven alles heeft geplaatst en dan, als bij toeval, God ergens tegenkomt in een klein hoekje.

Maar ik hoor er ook dat andere verhaal in. Tellegen tekent een beeld van God dat in geen enkele van onze voorstellingen past. En met trekken van enorme kwetsbaarheid. Het is een God, die niet het minst tekenen vertoont van macht, laat staan van almacht. Maar die er toch is, zij het dan oneindig vaak voorbij gelopen, ongezien en in volkomen afhankelijkheid van mensen. Groter dan dat laat Hij zich niet zien.

En in de laatste regels zit er, lijkt me, nog een andere boodschap. Mensen begonnen brood te strooien en zetten kommetjes wijn (veelzeggende metafoor), zegt de dichter. En ze zagen dan hoe God aarzelend dichterbij kwam.

Zo gebeurt het ook, denk ik. Wanneer mensen aandacht en zorg besteden aan het onooglijke en het weerloze, wanneer die zorg getoond wordt in verstilde, toegewijde gebaren, dan zijn ze misschien wel meer met het goddelijke bezig, dan iemand ook maar kan vermoeden. Dan komt God heel dichtbij. Zij het wellicht even onopgemerkt als in het gedicht. En Hij laat een glimp van zijn gezicht zien, overal waar mensen met mensen begaan zijn. Overal waar ze leven trachten door te geven aan elkaar en zich verbinden met anderen. En af en toe herkennen ze hem.

Afstemmen op het onooglijke en het ongeziene. Ik denk dat al wie het leven wil dragen daartoe wordt uitgedaagd. En dat zal uiteindelijk inhouden dat er een wederzijdse afhankelijkheid groeit. Aandachtige betrokkenheid maakt afhankelijk. Want wie zich echt onbevangen opstelt voor wat komt, voor wie op zijn weg komt, heeft niets in handen. Niets dan wat hem gegeven wordt. Niets dan ontvankelijkheid, afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Maar waar met liefde en zorg met elkaar wordt omgegaan, daar wordt de afhankelijkheid en kwetsbaarheid wederzijds. En zo gaat ze de beperking te boven. Want ze zorgt voor een intense verbondenheid.

Mensen die, zoals in het lied, ‘met zorg om de velen stem willen zijn van genade’, zullen uiteindelijk onmacht te boven groeien. En doordat zij niet breken, maar verbinden, zorgen zij evenzeer voor verbinding tussen het aardse en het hemelse.

 

Kris Gelaude

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

April 2018
M D W D V Z Z
26 27 28 29 30 31 1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30 1 2 3 4 5 6

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen