2015.02.14 Wek uw kracht en kom ons bevrijden: liederen en teksten van Huub Oosterhuis

Geert Hendrix gaf de toelichting.

lezing: Ex 33,18-23; 34,6-8

In alle tijden, in alle culturen, op alle plaatsen is het zinzoekend wezen 'mens' tot religie gekomen. Op deze aarde heeft het altijd gewemeld en wemelt het nog altijd van goden of goddelijke machten; want waar – heeft de mens zich steeds al dan niet wanhopig – afgevraagd; waar komt alles toch vandaan en vooral waar gaat alles toch heen?

Goden zijn er in alle maten en gewichten; de glorieuze krachtige kolossen zoals bij de Grieken, de protserige keizers zoals bij de Romeinen, de zon en de donder, niet aflatend te bezweren, bij de Germanen, de sterren en de versterving roept men in het oosten, de kracht van de voorouders volgens de indianen... onafzienbare verhalen, onmetelijk in omvang: de mens is een religieus wezen ten voeten uit; zoveel bewijst de geschiedenis. Religiositeit is universeel.

 


Ervaart niet elk mens een band met wat voor hem het geheel is? Weet niet iedere persoon dat hij slechts een onderdeel is van die samenhang? Dat de volstrekte kennis van en controle over het leven uitgesloten is? Dat er meer is dan op het eerste zicht te vermoeden valt ? Antwoorden op deze religieuze behoeften zijn meestal gezocht in de sacraliteit. De zin van dit leven moest toch iets groots zijn, numineus en lumineus, tremendum, afschrikbarend groot, machtig; godenbeelden overvielen meestal door de duizelingwekkende grootheid: sacraal omdat ze de mens opnamen, optilden tot huiver en vrees; een gevoel dat de meeste mensen nodig hebben om tot religieuze gedachten te kunnen komen.


Het is één van de sterkste gebaren van de joodse godsdienst – moeder van de christelijke en de islamitische – dat zij te midden van de religieuze kolosculturen van het omringende Babylonië met zijn tempeltorens en kinderoffers en Egypte met allerheiligste dictator-farao's en dodencultus... Het is één van de sterkste gebaren van de joodse godsdienst dat zij gekozen heeft tégen beelden, tegen het kennen van de goden, tégen de meervoud van goden, alsof de zin van het leven meervoud kon zijn. Deze revolutie gebeurt reeds in het lied over de zevende dag, geplaatst in Genesis 1, waar alles en alles gewoon onttoverd wordt, zon, maan en sterren zijn gewoon zon, maan en sterren, alleen de mens mag zich tooien met de naam 'beeld van god'. Een kaakslag voor alle sacraliteitsgevoelens, tot op de dag van vandaag. Het enige beeld van de eeuwige is de breekbare mens, vanaf het tweede genesisverhaal weliswaar al in de fout, maar vanaf het eerste verhaal, beeld, gelijkenis. Dit verhaal is de samenvatting vooraf van wat in de rest van de bijbelse geschriften soms moeizaam maar toch heel sterk doorbreekt: sacraliteit is humaniteit; humaniteit is sacraliteit. Het treft dat in Israëls verhaal, in de thora (de boeken van Mozes), maar ook in de profeten het onderscheid tussen sacraliteit en humaniteit meer en meer vervaagt en zelfs wordt overwonnen. Het oog van ons hart beschikt slechts over één waarmerk, één kenmerk van het heilige, en dat is de menselijkheid. Een huiveringwekkende ontdekking; in de bijbel verloopt dezer ontdekking niet zonder horten en stoten, in onze tijd evenmin... nog altijd loopt des mensen zoektocht langs de paden van vreesaanjagende rituelen, van verscheurende grootheid van idolen en goden, langs offers en straffen, langs het dal van dood en verderf.


Dit is de sleutel in het begrijpen van de teksten van Huub Oosterhuis: God bestaat niet – hij is enkel stem en bestaat in zijn beeld: mensen die naar mensen in nood worden gestuurd. Deze God-ik-zal van de Thora wordt in de zuiverste momenten van Israël en de profeten de innerlijke tegenkracht die mensen op weg zet: exodus, op uitweg zet. Niet zilver en goud, niet wagens en paarden, niet kerk, niet sacrament, niet speculatie, zelfs niet-god. Hij is de stem die mensen de kracht geeft hun exodus te gaan. Onzichtbaar en onbeeldbaar. Het werd een kronkelend geloofsinzicht en nadien ook een ervaring dat de God van Abraham, Isaak, Jacob, de god van de profeten en de God van Jezus van Nazareth geen onveranderlijke en onbeweeglijke god is. Sterker nog: dat hij een supreme afkeer heeft van het statische leven, van de ijzeren wetten van de zich steeds herhalende geschiedenis. Het is deze God die doorheen de verhalen van het bijbelse geloofsverhaal zegt: je moet gaan, je eigen exodus, ik ben er, ik ga met je mee, ik zal er zijn. Jij gaat, ik mee; jij onzeker, ik met jou. Dat is een onschendbare belofte 'ik ben', die niet filosofisch grieks metafysisch bedoeld is, maar een werkzame, oplettende tegenwoordigheid die mij diep in het leven en in de wereld engageert. Het was dus ook een uittocht uit hemelspeculaties. Daarvoor in de plaats kwam de traditie van een radicale aardse opdracht: een land te zoeken, een stad te stichten, gerechtigheid na te streven. In dat zoeken, stichten en streven wordt de onvoorstelbare god ervaren. In de plaats van de religieuze speculaties komt hier al een inzicht van 'la condition humaine': ons leven speelt zich in het sterfelijke nú af, en houdt op. Maar de weg die we ingeslagen zijn, de geschiedenis die we maken, de hoop die we vestigen, de herinneringen die we teweeg brengen, blijven. In de bijbelse beelden wordt niet ons hiernamaals aanschouwelijk voorgesteld, maar wordt ons leven hier op aarde getekend zoals het bedoeld is. En dan, zegt het verhaal, begraaft God ons eigenhandig, en dan kent hij ons in de dood nog.


Als een tegengif wordt in de bijbel tot in het nieuwe testament toe regelmatig één refrein herhaald: Hoor Israël, Hij onze God Hij één, heb hem lief jou god, met heel je hart en ziel. Hoor Israël; niet bedoeld als zionistische toespeling naar het gelijknamige land. Wel naar de mens, naar de zoeker, de aardse sterveling, Het woord Israël slaat altijd op de mens, de religieuze vechter, want dat betekent het woord Israël: 'de vechtende met God'. Heb hem lief, staat er, en niet aanbid hem, kruip voor hem in het stof,... heb hem lief; de strekking moge duidelijk zijn, kruip niet voor goden en machten; maar heb lief, de oorsprong en zin van dit leven, val er niet voor in het stof, maar heb lief,... en dan staat er nog 'Hij één', – in zijn tijd ongetwijfeld grimmig bedoeld tégen alle veelgodendom en godenomkoperij – de eenheid van zin en betekenis voorgoed inprentend.


De centrale zin uit de thora – het hoor Israël – is meer dan we spontaan aanvoelen een levensles in humaniteit; een remedie tegen sacraliteit die de mens als beeld van de eeuwige telkens weer uit het centrum gooit. Zo kan hij ook een goede leessleutel zijn voor een beter begrip van de evangelies, want wat doet Jezus anders dan telkens weer pogen de menselijkheid een centrale plaats te geven in de gods-dienst. Denken we maar even aan de verhalen over de barmhartige Samaritaan, de verloren zoon, Zacheiis, en alle genezingsverhalen als afwijzing van ziekte-sacralisering. Telkens kan de scherpe toehoorder invullen: Hoor Israël, heb Hem lief, en niet je tempel-sacraliteit, en niet je prestatiegodsdienst, en niet je geld, en niet je vermeende rechtschapenheid, en niet je straffende omkoopbare goden.


Ik denk dat het goed is als zoekende gemeenschap telkens het hoor Israël te herhalen, om al onze religieuze reserves te leren uiten in één grote levensles van menselijkheid. Het is tégen de geest van de bijbel om sacraliteit los te maken van humaniteit; of om het eens anders te zeggen om kerkelijkheid los te maken van werkelijkheid. Is het niet dat wat Jezus heeft willen uitdrukken in zijn laatste avondmaal  Op de drempel van zijn dood wordt door hem het heilige paasmaal (religieus hoogtepunt van die tijd) omgevormd tot laatste en meest radicale humaniteit: één lichaam worden en dat doorgeven aan elkaar. Is zo'n geloof niet loodzwaar? Misschien wel; ook het jodendom heeft met de thorarol gedanst tot in de vernietiging toe. En toch aarzelt de bijbel nooit en zingt in alle toonaarden: ga en doe gij evenzo.


Waarom passen de liederen van Huub Oosterhuis moeilijk in vol-roomse liturgie? Allicht omdat verschillende godsbeelden elkaar doorkruisen. Hoe moeilijk blijkt het niet om in onze tijd radicaal te durven zeggen dat de ontologisch-kosmische god de verlichting niet heeft overleeft ? Hoe moeilijk is het om toe te geven dat veel godsverering inderdaad opium van het volk is. Hoe ontzaglijk is het om te durven zeggen dat sacramentele liturgie ook een machtsliturgie is waarin in Godsnaam mensen elkaar godstekenen aandoen. De liederen en teksten van Huub kijken volstrekt de andere kant uit: ze focussen op het messiaanse bevrijdingsverhaal dat het aandurft om alle godsbeelden te ontmaskeren en enkel de god-ik-zal-er-zijn van de exoduservaring over te houden. Vanuit dit altaspunt wordt ook het Jezus-messias-verhaal gelezen. Hij is een messiaanse mens die de god-ik-zal aanvoelt als vader-abba en die vanuit deze kracht zijn eigen exodus gaat. Deze exodus brengt hem aan de zelfkant – zijn vertrouwen is groter. Liefde is sterker dan de dood.


Geert Hendrix

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

September 2018
M D W D V Z Z
27 28 29 30 31 1 2
3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16
17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen