2014.09.28 Met vleugel en met voeten

Voordracht van Ina  Koeman.

Inleiding

 

 

Lieve mensen, allemaal samengekomen om “De Vleugel” te vieren… Om woorden te horen en te vieren, die vleugels krijgen in je hoofd, hart, gemeenschap. Of om het anders te zeggen: om samen te ontdekken hoe onze vleugels voeten krijgen – en onze voeten vleugels.

Een paar van die woorden mag ik uitspreken. Als protestantse stadspredikant. Vrijgesteld door verschillende kerken om te werken in de stad, in het Protestants Sociaal Centrum, samen te werken met mensen-in-armoede, met vluchtelingen, met mensen van verschillende geloven en geschiedenissen.

Ik vond het een hele uitdaging toen jullie mij daarvoor vroegen. Spannend en een beetje eng. Jullie zijn immers allemaal van die geëngageerde, zoekende mensen… wat kan ik daaraan toevoegen?, zo vroeg ik mij af. Vleugels, die voeten krijgen en voeten die vleugels krijgen… Dat is niet niks.

Toen ik deze vraag doorworsteld had, en tot de conclusie kwam dat ik dat niet hoefde te proberen, iets toevoegen…, dacht ik, OK dan vertel ik gewoon over de stad, over de mensen, over het PSC en mezelf.

Ik wil jullie van harte bedanken voor deze mogelijkheid om dat te doen en voor jullie vertrouwen… Ik vind het trouwens een mooie gedachte, dat ik hier als stadspredikant een verhaal mag doen op jullie 4e lustrum en dat deze basisgemeente als De Waaier mee is opgestart door mijn voorganger Gerben Hoogterp.

Aan de hand van een aantal concrete insteken wil ik jullie meenemen in een verhaal over spiritualiteit, verzet en solidariteit. Ik hoop dat dit verhaal ons allen kan aanzetten om op te staan en door te gaan op onze weg. Een viering als deze is een voor mij een “verdichtingsmoment” op die weg.

1.         Protestants Sociaal Centrum/ Brood en rozen….

2.         Van stadsvernieuwing tot stadsontwikkeling

3.         Presentie als wapen

4.         Verantwoordelijkheid

5.         Spiritualiteit.anders

6.         Visioen

Vooraf: Ik voel mij een onderdeel van een collectief, bv het PSC – team én vrijwilligers – De Loodsen, KMS, ’t Vlot – daarom spreek ik meestal over “wij” ipv over “ik”. Natuurlijk wil ik daarmee niets of niemand annexeren, maar mezelf plaatsen in een geschiedenis die mensen samen maken.

Starter

Arm zijn is van de wieg tot aan het graf de ervaring drinken er niet bij te horen.

Is er uitgegooid, uitgestoten of gewoon vergeten worden.

Is in de schaduw staan en hunkeren naar licht.

Is  botsen - telkens weer - tegen muren van onbegrip en vooroordelen en tegen drempels die steeds opnieuw te hoog liggen.

Arm zijn is het koud hebben en nooit echt gezond zijn.

Is opgroeien met wantrouwen, het gevecht om waardering op voorhand al verloren hebben, en je schuldig voelen om je eigen onmacht.

Arm zijn is niemand hebben die je ziet, niemand die je hoort.

Arm ben je nooit uit jezelf. Je wordt armgemaakt door mensen en structuren.

(uit: Naam die zin is van ons Leven)

De Nederlandse socioloog en filosoof Harry Kunneman wil ik ook graag laten horen in deze starter: “Waarvoor staat het dikke ik? Onmatigheid, nooit genoeg hebben, jezelf dik maken ten koste van anderen en een dikke huid hebben voor hun ellende. Het gaat erom bovenaan de apenrots te komen en daar krachtig op je borst te trommelen. Ben je niet sterk of slim genoeg? Jammer dan. Pech gehad. Het is deze mentaliteit waar ik me grote zorgen over maak, vooral omdat het dikke ik zich niet alleen manifesteert op individueel niveau.”

In hoeverre heeft het fenomeen “dikke ik” te maken met het feit dat mensen “armgemaakt” worden… En wat is er dan aan verzet bij mekaar te sprokkelen? Wat is het gevaar van de individualisering van de samenleving en van het hele leven?

Dat zijn zo’n beetje mijn uitgangsvragen voor dit verhaal.

  1. Het Protestants Sociaal Centrum, Antwerpen

Ik werk als stadspredikant mee in het Protestants Sociaal Centrum in Antwerpen. In ons centrum werken we met verschillende doelgroepen (zoals dat in het Welzijnswerk wordt genoemd). Bij ons komen mensen over de vloer die al van generatie op generatie in armoede leven, maar ook mensen, die hier zijn gekomen uit allerlei verschillende regio’s in onze wereld. Vluchtelingen, asielzoekers, mensen zonder papieren… De oude en de nieuwe Belgen komen elkaar tegen in ons centrum, waar ze elk hun eigen werking hebben.

We zijn gevestigd in een wijk in Antwerpen (2060) waar de armoede én de diversiteit het meest zichtbaar zijn. De afgelopen jaren heeft de stad er veel aan gedaan om de armoede te verdringen, te verdoezelen, maar deze blijft gruwelijk aanwezig in de gezichten van huizen en mensen. Soms worden mensen van de pleinen geveegd. Ze brengen overlast volgens de politiekers, de ondernemers/ buurtwinkeliers, de politie… In onze wijk is het op sommige pleinen verboden om alcohol te drinken, en dat terwijl je in de studentenwijk soms niet door kunt fietsen vanwege lallende en kotsende mensen. Kennelijk heeft deze keuze van de politiek te maken met klasse, of nog beter met onderklasse…

Met de nieuwe stadsregering zijn we in onze wijken 2060 en Oud-Borgerhout  in een klimaat van zero tolerance geraakt. Straks zal het straathoekwerk niet meer bestaan in onze wijk, het gevolg van oa deze maatregel is dat er steeds meer vergeten mensen zich op vergeten plekken zullen verstoppen.

  1. Van stadsvernieuwing naar stadsontwikkeling

Toen ik in 1984 (na mijn studie protestantse theologie in Brussel) begon te werken in het Oude Wijken Pastoraat in Rotterdam (Urban Mission), kreeg ik voor het eerst een beetje zicht op de idee van stadsvernieuwing.  Deze vernieuwing bestond uit een waaier aan opeenvolgende beleidsinitiatieven, die alle probeerden bij te dragen tot de vernieuwing van de stad op maat van de stadsbewoner. Vanaf 1989 maakte ik dit soort vernieuwing ook mee in Antwerpen.

Deze vernieuwing kwam niet altijd ten goede aan de buurtbewoners: vooral de huurprijzen gingen enorm omhoog, waardoor arme mensen verdrongen werden. In onze wijk Antwerpen-Noord bleef deze sociale verdringing lang uit….maar toch verhuisden een aantal van “onze mensen” naar Deurne – Noord.

Rond de eeuwwisseling zagen we dat de opvattingen rond stedenbouwkundige vernieuwing veranderden: men ging zich toeleggen op stadsontwikkeling. De neoliberale wind, die over heel Europa waaide, deed het ook stormen in België, in Antwerpen. Er werden nieuwe projecten  bedacht om vooral de gegoede middenklasse aan te trekken. De stadsvlucht nam een keer… ogenschijnlijk. Er kwamen weer en meer jongere mensen, yuppen, middenklassers wonen in onze stad. In de duur gebouwde lofts bv. Kijk naar de verdringing van arme mensen van ’t Eilandje of – eerder al – uit Antwerpen-Zuid. Deze nieuwe stadsbewoners hebben iets te beschermen: nl. het rijke deel van onze stad.

Dit staat haaks op die andere instroom: nog nooit kwamen zoveel mensen uit zoveel regio’s in de wereld naar ons land, onze stad, onze wijk. Onze buurt verkleurt meer dan ooit te voren, de superdiversiteit is een feit. En kennelijk heeft ’t stad nu echt beslist: deze wijk 2060 moet een transitwijk blijven…

Dit heeft soms spanningen tot gevolg. Vooral de oude buurtbewoners (Belg, Turk, Marokkaan…) accepteren niet altijd dat Oost-Europeanen, Aziaten en Afrikanen met evenveel recht tussen hen in komen wonen.

  1. Presentie als wapen

In deze stad, deze buurt proberen wij present te zijn. Present in het leven van andere mensen. Dat is onze manier van doen. We trekken op met mensen, juist met hen die nergens bij horen, die al nooit ergens bij hoorden… We nodigen hen ook uit voor onze groepen waarin “armgemaakte en armgeraakte” mensen samenwerken om tot kracht te komen.

Op deze manier gaan wij dus de individualisering te lijf en proberen mensen – in alle persoonlijke vrijheid – te betrekken bij een netwerk, een collectief….

Als zodanig werkt presentie als een wapen in de strijd tegen de tendens om “vergeten mensen op vergeten plekken” te laten rotten…

Kenmerken van presentie zijn bv:

1)        Vrij zijn voor… : er is een open agenda.

2)        Openstaan voor… : de presentie-beoefenaar staat open voor de ander.

3)        Een aandachtige betrekking aangaan: alledaagse bezigheden worden met de grootste aandacht gedaan. Door deze concentratie worden dingen ontdekt waar in een gewone betrekking overheen gekeken zou worden.

4)        Aansluiten bij het bestaande: de ander bepaalt de agenda en de presentie-beoefenaar heeft niet de pretentie te weten hoe het eigenlijk zit, maar gebruikt erkenning en bevestiging.

5)        Perspectiefwisseling: de presentie-beoefenaar leert de wereld te zien vanuit het perspectief van de ander.

6)        Zich aanbieden: de presentie-beoefenaar biedt naast financiële hulp en instrumentele bijstand vooral zichzelf aan door deel uit te gaan maken van het sociale netwerk van de ander.

7)        Geduld en tijd: er wordt ongehaast met de tijd omgegaan.

8)        De trouwe toeleg: dit werkt troostend en hierdoor merkt de ander de betrouwbaarheid van de presentie-beoefenaar.

Ik denk hoe Maria mij present laat zijn in haar leven en hoe zij mij steeds meer deelgenoot laat worden. Ik maak tijd voor haar. Zij kan mij haar verhaal rustig en in stukjes en beetjes vertellen. Zij lokt mij uit mijn tent, en verbiedt het mij om meteen naar oplossingen te zoeken… Het belangrijkste is de tijd. De aandacht. Ik denk eraan hoe zij met haar vier kinderen en haar man uit China moet leven van een hongerloontje.  Het ene gat met het andere gat moet dichten.  De kinderen soms niet naar school kan laten gaan, omdat er geen geld is voor een tramkaartje.  Zelfs niet voor het OCMW-kaartje van 1€.  Om over een abonnement op dat moment maar helemaal te zwijgen.  Lenen van haar moeder, die zich daarmee een dikke vinger in de pap koopt en zich te pas en te onpas met de opvoeding van de kinderen bemoeit.  Die haar steeds maar blijft verwijten, dat ze is gescheiden van de vader van haar kinderen en daarna is getrouwd met zo’n vreemdeling.  Het racisme waarmee ze sinds haar tweede huwelijk wordt geconfronteerd - dagdagelijks - en waarvan ze niet eens en vermoeden had, dat het bestond.  De pijn van haar echtgenoot, een afgestudeerde technisch ingenieur, die hier op de VDAB wordt bekeken van: daar heb je hem weer....  Soms wil hij het maar opgeven om van haar en de kinderen te houden, zodat hij kan terugkeren naar zijn land.  Daar is het ook niet alles, maar hij wordt in ieder geval aangezien als een mens.  Een mens met capaciteiten, met gevoelens, met een gezicht...

Haar dop als gezinshoofd maakt hem soms razend: hij is afhankelijk van haar, terwijl hij toch voor haar hoort te zorgen.  Ze is blij dat de Kinderbijslag uiteindelijk weer in orde is gekomen, want door een aantal veranderingen: een nieuw adres, geen werk meer, enz.  was ze ook daar het zicht op kwijt geraakt.

Maria is een armgemaakte mens.  De omstandigheden en de structuren hebben haar en haar gezin tot uitgeslotenen gemaakt.  Ze gaan eronder gebukt. Ik probeer het daarbij uit te houden en haar zo nabij te zijn.

Dit soort present-zijn is uitgewerkt in een theorie.. (Andries Baart)  Wij gaan niet zozeer uit van die theorie, maar herkennen deze in ons dagelijks werk. Deze theorie, of deze methode past ook goed bij onze basisfilosofie:

  • culturele (tegen)beweging - met een kenmerkende kritiek op de macht en op in zichzelf gekeerde institutionele overlevingsdrift.
  • (wijsgerige of theologische) antropologie met noties als ‘menselijke waardigheid’ en het belang om sociaal opgenomen te zijn
  • specifieke uitleg van maatschappelijke problemen, namelijk gezien vanuit de slachtoffers en degenen die eronder lijden, benoemd als het participatief-experiëntiële discours
  • de radicale toewending naar het lijden en de wil het daarbij uit te houden
  • volgehouden poging om zo nauwgezet mogelijk aan te sluiten bij de leefwereld van de ander als ander.

We bewegen ons naar de ander toe, proberen ons aan te sluiten bij hun leefwereld, hebben een open agenda en proberen trouw te blijven ook als die ander zo gek wordt, dat we hem niet meer herkennen.  En in dit alles gaat het vooral om wederkerigheid. In deze buurt hebben we immers elkaar nodig!

In het eindwerk van één van de stagiaires in het PSC vond ik over presentie:  In deze benadering heb ik een vorm van verzet gevonden. Ik verzet me in het klein. Door het planten van kleine zaadjes. Door bewuste handelingen die ogenschijnlijk onbelangrijk lijken. Zo groeit het verzet. Daar ben ik van overtuigd. Mijn verzet is gericht op alles wat ik onrecht noem en sterkt degenen die niet tot hun recht komen.

In onze buurt proberen we present te zijn en we zien dat het zin heeft.

Dat het een in sommige levens een andere wind doet waaien.  Dat het oplucht en mensen optilt. Dat zien we vooral gebeuren als mensen samen gaan zitten en allerlei activiteiten en acties uitwerken.

Voor de acties om recht werken we samen met zeer veel verschillende groepen en instanties. Vakbonden, scholen, welzijnsorganisaties, kerken…

Zo wordt ons “present-zijn” gelukkig vaak vertaald in “present-stellen”. Niet wij (alleen), maar juist de mensen zelf stellen zich teweer tegen alles wat hen klein en arm maakt en uitsluit.

Een klein beetje: de wereld…andersom bekeken!

Intermezzo

Soms is een mensenleven zo gekwetst

Dat brood niet meer verzadigt en water niet meer laaft,

dat vuur niet meer verwarmt

en een huis niet meer herbergt

Wonden worden soms geheeld

Als iemand het opbrengt om voor een ander

Brood en water vuur en huis te zijn

Er is veel vraag naar zo een mens

Die voor een ander nabij is als God

Alleen vraag ik mij af wat ik ben:

Die vraag of het antwoord?

  1. Verantwoordelijkheid: ben ik de vraag of het antwoord?

Onder de titel ‘Verantwoordelijkheid’ schreef de joodse filosoof Emmanuel Levinas: ‘In het feit dat de relatie tot het goddelijke via de relatie tot de mensen verloopt en met de sociale gerechtigheid samenvalt, ligt de hele geest van de joodse bijbel. Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort “geestelijke vriendschap”, maar een rechtvaardige economie, waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

Tegen de stroom van postmodern en neoliberaal ik-denken, heeft Levinas ons (reeds in de zestiger jaren, IK) geconfronteerd met de radicaliteit van de bijbelse ethiek, waarin niet “ik” het uitgangspunt ben, maar de andere mens, die mij aankijkt en een beroep op mij doet. Mensen, schrijft hij, zijn ‘uitverkoren elkaar te dienen’.

Relatie met God? Alleen door je persoonlijk te laten raken door de ander en je samen verantwoordelijk te stellen voor een rechtvaardige economie, voor een samenleving waarin elk mens tot en aan zijn recht komt.

De Nederlandse schrijver (Harry Mulisch) schreef veertig jaar geleden al: ‘Het probleem van rijk en arm is doodeenvoudig. Wie zegt dat het gecompliceerd is, heeft het over de gecompliceerdheid van zijn eigen rijkdom’.

De rijken houden de armoede van de armen in stand. Daarom spreken wij van armgemaakte mensen.

Huub Oosterhuis zegt: Gerechtigheid zou het zijn, als de rijken de armen zouden optillen tot een menswaardig levensniveau. En dat zou in eerste plaats betekenen dat de rijken hun “schatten van deze aarde” loslaten. En dat zou in de tweede plaats betekenen, dat er een omkering komt van alle structuren, die nu armen én rijken in de tang houden!

Dat kunnen de rijken. Dat kunnen ze leren. Dat kunnen wij leren.

Zolang er rijken zijn, zullen er armen zijn… Dat uitgangspunt maakt onze positie duidelijk. Armoedebestrijding is armoedebevrijding en tegelijkertijd rijkdomsbestrijding! Dat zal pas de rechtvaardige structuren brengen.

  1. Spiritualiteit.anders

Wij kunnen dat leren, die armoedebevrijding en rijkdomsbestrijding. Dat vraagt alleen maar om wijsheid en inzicht en om geloof dat het anders kan! Dat een andere wereld mogelijk is. Inzicht wordt ons aangereikt door mensen-in-armoede zelf. Zij kunnen ons heel eenvoudig vertellen hoe de wereld in mekaar zit. Even als vluchtelingen dat kunnen. Door hun ogen leren we kijken naar “onrechtstructuren en onmachtkullen”, door hun denken leren we analyseren. Door hun hoop en geloof leren we vertrouwen op een spiritualiteit.anders. Een opluchting voor velen.

We moeten verlost worden van domheid. Domheid ontmaskeren.

Hier wil ik graag citeren uit een tekst die Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) bij de jaarwisseling 1942/1943 schreef. ‘Domheid is een gevaarlijker vijand van het goede dan slechtheid. Tegen het kwade kun je protesteren, je kunt het ontmaskeren of desnoods met geweld verhinderen. Het kwaad draagt altijd de kiem van eigen ontbinding in zich, want het laat in de mens ten minste een gevoel van onbehagen achter. Tegen domheid zijn wij weerloos. Noch met protesten noch met geweld is hier iets te bereiken. Argumenten baten niet. Feiten die niet stroken met eigen vooroordeel kan men heel eenvoudig ongeloofwaardig noemen – in zulke gevallen wordt de domme mens zelfs kritisch – en feiten die niet te ontkennen zijn kunnen opzij geschoven worden als nietszeggende uitzonderingen. Bovendien is de domme mens, in tegenstelling tot de slechte mens zeer tevreden met zichzelf. (…) Om te weten hoe wij domheid moeten benaderen moeten wij proberen haar wezen te begrijpen. Vaststaat dat domheid geen gebrek is aan intelligentie maar een moreel tekort. Er zijn mensen met een buitengewoon snel verstand die dom zijn, en mensen met een traag verstand die allesbehalve dom zijn.

(…) Bij nader inzien blijkt dat iedere sterke machtsontplooiing, politiek of religieus, een groot deel van de mensen met domheid slaat. Dit lijkt zelfs zonder meer een psychologisch-sociologische wet. De macht van de een vraagt om de domheid van de ander. Dit proces verloopt niet zo dat bepaalde capaciteiten van de mens – de intellectuele bijvoorbeeld – verminderen of uitvallen. Nee, overweldigd door de machtsontplooiing, wordt de mens

beroofd van zijn innerlijke zelfstandigheid en ziet ervan af – meer of minder bewust – een eigen houding te vinden tegenover de wereld waarmee hij geconfronteerd wordt. De nukkigheid van de domme mens mag ons niet doen geloven dat hij zelfstandig is. Als je met hem praat, merk je direct dat je niet te maken hebt met hem zelf, met hem persoonlijk, maar met leuzen en slogans die macht over hem hebben. Hij leeft in een ban en is verblind, aangetast in zijn wezen en misbruikt. Zo wordt de domme een willoos instrument in staat tot alle kwaad en hij is niet bij machte dit kwaad als zodanig te onderkennen. Hier ligt een gevaar van een duivels misbruik. Dit zal de mensen voorgoed te gronde kunnen richten’.

Als we ons niet samenzetten met mensen die aan den lijve ervaren wat de gevolgen zijn van al zulke domheid, als we ons niet door hen willen, durven laten bekeren, dan ziet het er in onze wereld niet zo goed uit, denk ik.

We hebben wat dat betreft ook veel te leren van de verzetstheologie van Dorothee Sölle. De voornaamste drijfveer voor haar theologie, die ik bijna “biografische theologie” zou durven noemen omdat deze zozeer samenhangt met haar eigen biografie, was haar verbijstering over het feit dat er in de tweede wereldoorlog mensen waren, die zagen wat er gebeurde, zonder dat zij daartegen iets deden. Ze waren toeschouwers van de grootste gruwelijkheden. Ze zegt daarover: ‘Ik was daar erg door van slag: het feit dat er mensen zijn die simpelweg toekijken. We hebben nu allemaal zo'n kast in de kamer die ons tot toeschouwer opvoedt: het centrale probleem in onze wereld. Deze manier van toeschouwen is niet veel beter dan die van destijds.’

Haar theologie druipt van verzet tegen zo’n “toeschouwerschap”…

We mogen nooit alleen maar ‘toeschouwen’, nooit achterover leunen in zelfgenoegzaamheid, nooit ‘ons de luxe veroorloven te leven zonder hoop’. Als we nl geen hoop meer hebben op een wereld andersom, dan zijn we onze humaniteit aan ’t verliezen. Machteloosheid in het beste geval en apathie in het slechtste zijn samen de dood in de pot. Het gaat er Sölle niet om dat we ons laten verlammen door de veelheid van problemen, of ons schuldig en verantwoordelijk voelen voor alles. Het gaat haar erom dat we ons niet zodanig laten verlammen door de veelheid van problemen dat we daarom maar niets doen. Als christen, als kerk, móet je je mond opendoen. Zelfs als je de problemen niet kunt oplossen, kun je ze zichtbaar maken. Alleen al daarom kun je niet passief blijven toekijken.

God is voor Sölle “een kracht tot verzet in een wereld die dronken is van het bloed van de onschuldigen’.

Je moet het maar durven zeggen, doen, leven, zoals zij dat heeft gedaan.

  1. Een visioen

De Bijbel is het’ visioen’ van een menswaardige samenleving en formuleert de grondslagen van een rechtvaardige politiek: “Jij zult liefde hebben tot je naaste die een mens is zoals jij’. En jij weet toch wat je nodig hebt… Een beslissende toespitsing van dit woord is: ‘Jij zult liefde hebben tot de vreemdeling’.

Vanaf de dag dat Mozes ‘al deze woorden’ gesproken heeft, bestaat de utopie van de gerechtigheid. In een chaotische wereld, die door geweld en eigenbelang geregeerd wordt en waar het leed en de dood van anderen niet tellen, roept de Thora de mensenrechten uit, het onvervreemdbare recht van ieder mens op leven, volop en voluit! De Thora is het manifest van de bevrijding. Het manifest dat appelleert op verantwoordelijkheid-in-liefde… Op solidair engagement. Op moeder- en vaderliefde inenen.  Dat zijn twee manieren van liefhebben, waartoe mannen én vrouwen in staat zijn. Moederliefde: onvoorwaardelijk aanvaardend: jij bent van mij, uit mij; wat er ook moge gebeuren, ik draag je in mijn hart.

Vaderliefde: voorwaardelijk: ik houd van je, respecteer je en vertrouw je, maar je moet het wel waarmaken. De Thora laat beide stemmen horen. Als mens hebben we behoefte aan beide. De eerste draagt ons, de tweede daagt ons uit. De Thora als manifest van de bevrijding geeft vanuit “deze liefdes” vleugels voor onze voeten en voeten aan onze vleugels…

Het koninkrijk van God is volgens Jezus – en volgens de Thora van Mozes en de profeten waarin hij was opgevoed – een nieuwe wereld, een wereld andersom  waar het gedaan is met onrecht en onliefde. Het is een komende wereld (olam haba tegenover olam hazeh) waarin geen mens meer geknecht, uitgesloten en vernederd wordt. Die komende wereld is niet alleen bevrijding voor de armen, maar ook voor de rijken.

Een wereld waarin armgemaakten en armgeraakten niet meer bestaan, en waarin rijkdomsbestrijding niet meer nodig is.

  • koninkrijk van God: een nieuwe stad(sontwikkeling) – een ontwikkeling waarin mensen dus niet verdreven worden, maar waar nieuwe bewoners ook niets hoog te houden hebben (zoals nu de nieuwe bewoners van ’t Eilandje): iedereen kan er samenleven – is dat alleen maar een soort idealistische droom?

Eerlijk gezegd lijkt het daarop. En toch… ik geloof er hartstochtelijk in. Omdat ik hier en daar er iets van zie gloren – ook in 2060 of Oud Borgerhout…

  • Terug naar Antwerpen-Noord – 2060/ Oud Borgerhout:

de kleine plekken waar mensen elkaar vinden – in die vereniging waar armen het woord nemen, in die vrouwenwerking, in die kleine Don Boscokapel, in die kleine groep Brood en Rozen, waar mensen-in-armoede samen Bijbellezen en de verhalen herkennen als verzetsliteratuur… Of als woorden, die hen laten voelen: ik ben de moeite waard… Spiritualiteit.anders zit ons op de huid, kruipt ons in het bloed… En weet je, we doen het samen: het gaat niet alleen om christenen, die dromen van een wereld andersom, het gaat om allen, die zien: déze wereld is niet wat we willen… Bij deze zgn werkelijkheid leggen we ons niet neer. Christenen, katholieken en protestanten, moslims, boeddhisten, vrijzinnigen, we leggen ons hier niet bij neer. Dat verbindt ons ook met anderen in de stad…

We slaan onze vleugels uit. Net als jullie. In alle vroomheid en vrolijkheid die ons gegeven is.

  • De Vleugel – een vrijplaats voor liturgie, die ruimte biedt en een klankbord is voor zoekers naar de kern van de dingen al twintig jaar – Je hebt je Vleugels uitgeslagen en je kunt nog ver vliegen – maar zoek het niet te ver… Hier is het:  deze komende wereld is een wereld die nu al is. In de kleine herkenningen van liefde en troost, in de grote manifestaties waarin geroepen wordt om recht en gerechtigheid, in de stad waarin er soms gezichten oplichten op een feest van herkenning en wederkerigheid.

Aan deze wereld, die zich zeker uitbreidt en uiteindelijk komt als een goedgezinde bom om al het onrecht te vernietigen kunnen wij ons steentje bijdragen. En dat doen we elk op onze eigen manier. Want dat is zo leuk van God: hij heeft ons allemaal verschillend gemaakt!

ds Ina Koeman

september 2014

Met dank aan:

Huub Oosterhuis, Red hen die geen verweer hebben

Dirk Holemans, Mensen maken de stad

Dietrich Bonhoeffer, Verzet en overgave

Andries Baart, Een theorie van de presentie

Monique Wolf, Een profetische vrouw, artikel Streven

 

 

Welkom...

...welkom op onze website.(Vleugel)

Kalender

Januari 2018
M D W D V Z Z
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31 1 2 3 4

Nieuw

 

Kijk naar Nieuws- Rondom de Vleugel

Inloggen